Translate

Zoeken in deze blog

dinsdag 13 juni 2017

West Indies

West-Indië


Onder West-Indië kan men verschillende gebieden verstaan. Meestal gaat het over de eilanden in de Caraïben; soms ook in combinatie met delen van Midden- en Zuid-Amerika.
Nederlands-West-Indië[bewerken]
De West-Indische Compagnie (WIC), tegenhanger van de Vereenigde Oostindische Compagnie (VOC), rekende zelfs Nederlandse koloniën in West-Afrika tot West-Indië. Met de Nederlandse grondwetswijziging van 1922 werd bepaald dat het Koninkrijk der Nederlanden bestond uit het grondgebied van Nederland, Nederlandsch-Indië, Suriname en Curaçao (het huidige Aruba, Curaçao, Sint Maarten en de BES-eilanden).
De combinatie van het rijksdeel Suriname en het rijksdeel Curaçao werd in die tijd vaak omschreven als "De West" of (Nederlands) West-Indië.
Brits-West-Indië[bewerken]
Tot Brits-West-Indië werd naast de Britse eilanden in Caraïben ook gerekend:
Brits-Honduras (thans Belize)
Brits-Guiana (thans Guyana)
Miskitokust (thans deel van Nicaragua)
Zie ook[bewerken]
Deens-West-Indië
Frans-West-Indië
West-Indische Federatie

West-Indië is dus niet bij Indië, maar in de Caraïben. 


The West Indies is a region of the North Atlantic Ocean in the Caribbean, that includes the island nations and surrounding waters of three major archipelagoes: the Greater Antilles, the Lesser Antilles and the Lucayan Archipelago.[1] The term may also be synonymous with the term Caribbean Basin. The region is generally defined[by whom?] as the area running from Florida westward along the Gulf coast, then south along the Mexican coast through Central America and then eastward across the northern coast of South America. Bermuda is also included within the region even though it is in the west-central Atlantic, due to its common cultural history created by European colonization of the region, and in most of the region by the presence of a significant group of African descent.[citation needed]
After the first of the voyages of Christopher Columbus to the Americas, Europeans began to use the term West Indies to distinguish the region from the East Indies of South Asia and Southeast Asia.[citation needed]  (https://en.wikipedia.org/wiki/West_Indies)

Brits-West-Indië is de verzamelnaam voor al de eilanden in de Caraïben die Britse kolonies zijn of geweest zijn. De term slaat ook op de twee Britse bezittingen op het vasteland in het gebied: Brits-Honduras, Brits-Guiana en de Miskitokust. De nu onafhankelijke eilanden zijn: Antigua en Barbuda, Bahama's, Barbados, Dominica, Grenada, Jamaica, Saint Kitts en Nevis, Saint Lucia, Saint Vincent en de Grenadines, Trinidad en Tobago
De meeste gebieden zijn nu onafhankelijke staten. De volgende bleven Britse gebieden: Anguilla, Bermuda, Britse Maagdeneilanden, Kaaimaneilanden, Montserrat en de Turks- en Caicoseilanden.
De twee gebieden op het vasteland zijn nu ook onafhankelijk, zij het onder een andere naam: Brits-Honduras werd Belize, en Brits-Guyana werd Guyana (https://nl.wikipedia.org/wiki/Brits-West-Indi%C3%AB).

Deens-West-Indië (Deens: Dansk Vestindien) of de Deens-West-Indische Eilanden (Deens: Danskvestindiske Øer) was een vroegere kolonie van Denemarken in de Caraïben. Het gebied, de huidige Amerikaanse Maagdeneilanden, is nu een deel van de Verenigde Staten.
De Deense West-Indische en Guineese Compagnie koloniseerde het eiland Saint Thomas in 1672 voor het eerst, en breidde de kolonisatie uit naar het naburige eiland Saint John in 1683. Dit zorgde voor een conflict met Groot-Brittannië tot 1718. De Denen kochten St. Croix van de Franse West-Indische Compagnie in 1733. In 1754 werden de eilanden verkocht aan de Deense koning, waardoor ze Deense kolonies werden.
In de eerste dertig jaar van de kolonie St. Thomas bestond een groot gedeelte van de blanke bevolking uit sprekers van het Nederlands, afkomstig uit Zeeland, West-Vlaanderen of het Caribisch gebied. Ondanks de officiële Deense overheid, was de taal die de overheid gebruikte tot in de tweede helft van de achttiende eeuw het Nederlands. De aan het Nederlands gerelateerde taal, het Negerhollands, ontstond waarschijnlijk aan het begin van de achttiende eeuw (https://nl.wikipedia.org/wiki/Deens-West-Indi%C3%AB).

De Franse Antillen (Frans: Antilles Françaises), soms ook Frans-West-Indië genoemd, omvatten tegenwoordig de volgende eilanden in het Caraïbisch gebied:
Guadeloupe (Frans overzees departement), eilandengroep bestaand uit:
Basse-Terre
La Désirade
Grande-Terre
Marie-Galante
Îles de la Petite Terre
Îles des Saintes (twee eilanden)
Martinique (Frans overzees departement)
Saint-Barthélemy
Saint-Martin (het Franse deel van het eiland Sint Maarten, het andere deel vormt een onafhankelijk land binnen het Koninkrijk der Nederlanden.
Saint-Barthélemy en Saint-Martin waren tot 22 februari 2007 onderdeel van het overzeese departement Guadeloupe. Op 7 december 2003 stemde de bevolking van beide eilanden voor zelfbestuur.
In het verleden behoorden ook de volgende andere gebieden tot de Franse Antillen:
Het huidige Haïti, tot Haïti zich onafhankelijk verklaarde in 1804. Niet erkend door Frankrijk tot 1825
Het eiland Dominica, tot in 1783 de Britten het eiland overnamen
Het eiland Saint Lucia, tot in 1815 de Britten het eiland overnamen
Het eiland Tobago, laatste keer dat Frankrijk het eiland moest overgeven was in 1803, aan de Britten (https://nl.wikipedia.org/wiki/Franse_Antillen).

In the late sixteenth century, French, English and Dutch merchants and privateers began their operations in the Caribbean Sea, attacking Spanish and Portuguese shipping and coastal areas. They often took refuge and refitted their ships in the areas the Spanish could not conquer, including the islands of the Lesser Antilles, the northern coast of South America including the mouth of the Orinoco, and the Atlantic Coast of Central America. In the Lesser Antilles they managed to establish a foothold following the colonization of St Kitts in 1624 and Barbados in 1626, and when the Sugar Revolution took off in the mid-seventeenth century, they brought in thousands of African slaves to work the fields and mills. These African slaves wrought a demographic revolution, replacing or joining with either the indigenous Caribs or the European settlers who were there as indentured servants.
The struggle between the northern Europeans and the Spanish spread southward in the mid to late seventeenth century, as English, Dutch, French and Spanish colonists, and in many cases their slaves from Africa first entered and then occupied the coast of The Guianas (which fell to the French, English and Dutch) and the Orinoco valley, which fell to the Spanish. The Dutch, allied with the Caribs of the Orinoco would eventually carry the struggles deep into South America, first along the Orinoco and then along the northern reaches of the Amazon.
Since no European country had occupied much of Central America, gradually the English of Jamaica established alliances with the Miskito Kingdom of modern-day Nicaragua and Honduras, and then began logging on the coast of modern-day Belize. These interconnected commercial and diplomatic relations made up the Western Caribbean Zone which was in place in the early eighteenth century. In the Miskito Kingdom, the rise to power of the Miskito-Zambos, who originated in the survivors of a rebellion aboard a slave ship in the 1640s and the introduction of African slaves by British settlers within the Miskito area and in Belize British Honduras also transformed this area into one with a high percentage of persons of African descent as was found in most of the rest of the Caribbean.
From the 17th through the 19th century, the European colonial territories of the West Indies were the French West Indies, British West Indies, the Danish West Indies, the Netherlands Antilles (Dutch West Indies), and the Spanish West Indies.
In 1916, Denmark sold the Danish West Indies to the United States for US$25 million in gold, per the Treaty of the Danish West Indies. The Danish West Indies became an insular area of the US, called the United States Virgin Islands.
Between 1958 and 1962, the United Kingdom re-organised all their West Indies island territories (except the British Virgin Islands and the Bahamas) into the West Indies Federation. They hoped that the Federation would coalesce into a single, independent nation. However, the Federation had limited powers, numerous practical problems, and a lack of popular support; consequently, it was dissolved by the British in 1963, with nine provinces becoming independent sovereign states and four becoming British Overseas Territories.
West Indies or West India was the namesake of several companies of the 17th and 18th centuries, including the Danish West India Company, the Dutch West India Company, the French West India Company, and the Swedish West India Company.
West Indian is the official term used by the U.S. government to refer to people of the West Indies[2] ((https://en.wikipedia.org/wiki/West_Indies))

Tulane University professor Rosanne Adderly says "[T]he phrase 'West Indies' distinguished the territories encountered by Columbus and claimed by Spain from discovery claims by other powers in [Asia's] 'East Indies'. … The term 'West Indies' was eventually used by all European nations to describe their own acquired territories in the Americas. … considering British Caribbean colonies collectively as the 'West Indies' had its greatest political importance in the 1950s with the movement to create a federation of those colonies that could ultimately become an independent nation... Despite the collapse of the Federation [in the early 1960s]… the West Indies continues to field a joint cricket team for international competition."[3] ((https://en.wikipedia.org/wiki/West_Indies))

De West-Indische Federatie was een kortstondige politieke unie van Caribische eilanden, die bestond van 3 januari 1958 tot 31 mei 1962. De Federatie bestond uit gebieden die alle Britse koloniën waren. De bedoeling was dat de West-Indische Federatie een onafhankelijk land zou worden, maar voordat dit verwezenlijkt kon worden viel ze uit elkaar door interne spanningen.
De Federatie, een staat met binnenlands zelfbestuur, bestond uit tien provincies (het zogenaamde Brits West-Indië). Ze werd gevormd in 1958 in een poging om aan alle onafhankelijkheidseisen in het gebied te voldoen.
De provincies van de West-Indische Federatie waren:
Antigua en Barbuda
Barbados
Dominica
Grenada
Jamaica (waarvan de Kaaimaneilanden en de Turks- en Caicoseilanden afhankelijke gebieden waren)
Montserrat
Saint Christopher, Nevis en Anguilla (het huidige Saint Kitts en Nevis en Anguilla)
Saint Lucia
Saint Vincent en de Grenadines
Trinidad en Tobago
De hoofdstad van de staat was Chaguaramas, een stad een paar kilometer ten westen van Port of Spain, de huidige hoofdstad van Trinidad en Tobago.
Hoewel de federatie oorspronkelijk enthousiast werd begroet, hield de unie geen stand. De grootste provincies, Jamaica en Trinidad, overheersten al snel de federale regering, wat de kleinere provincies niet graag zagen. Dit had dan weer tot gevolg dat de grotere provincies geen deel meer wilden uitmaken van een federatie waarvan vele leden vijandig tegenover hen stonden.
In 1961 hield de premier van de Jamaicaanse provincie een referendum over onafhankelijkheid. Deze onafhankelijkheid werd goedgekeurd, en na het vertrek van Jamaica bleek al snel dat de federatie geen kans van slagen meer had. Ze viel snel uiteen, en de meeste provincies werden onafhankelijke landen, wel nog altijd met de Britse monarch als staatshoofd (https://nl.wikipedia.org/wiki/West-Indische_Federatie).

Tot op heden wordt Brits-West-Indië (West Indies) nog steeds vertegenwoordigd in het cricket. Het team van Brits-West-Indië bestaat uit de onafhankelijke landen Antigua en Barbuda, Barbados, Dominica, Grenada, Guyana, Jamaica, Saint Kitts en Nevis, Saint Lucia, Saint Vincent en the Grenadines, Trinidad en Tobago, en de Britse gebieden Anguilla, Montserrat, Britse Maagdeneilanden en de Amerikaanse Maagdeneilanden.
Het cricketteam is erg succesvol. Het won het wereldkampioenschap cricket in 1975 en 1979. Het was finalist in 1983 (https://nl.wikipedia.org/wiki/Brits-West-Indi%C3%AB).

West Indies Porter
Guinness’s head of innovation, Nick Curtis-Davis, said the [West Indies Porter is an] updated version of historic recipes from the brewery dating back 145 years (www.dailymail.co.uk/news/article-2742570/Guinness-shows-bottle-new-beers-Brewing-giant-offer-two-creations-capitalise-booming-real-ale-market.html).

Diageo is breathing new life into the Guinness brand with two new variants in the UK, Dublin Porter and West Indies Porter, which it hopes will quench the thirst of craft beer enthusiasts, who have been driving a small, but encouraging recovery in beer sales  (www.telegraph.co.uk/finance/
newsbysector/retailandconsumer/leisure/11093581/Guinness-goes-back-to-the-future-with-new-beers-and-brewery.html). (http://biervat.blogspot.nl/2016/03/dublin-guinness-porter-38.html)


Over het merk heb ik al vaker gesproken, zoals op donderdag 6 december 2012, zaterdag 15 maart 2014, donderdag 15 mei 2014, zaterdag 7 november 2015 en donderdag 17 maart 2016.

Guinness is an Irish dry stout produced by Diageo that originated in the brewery of Arthur Guinness (1725–1803) at St. James's Gate, Dublin (https://en.wikipedia.org/wiki/Guinness).

For some, Guinness was that gateway beer that led them into the world of craft.  For others, Guinness was a welcome reprieve from the water-forward Bud, Miller, Coors triopoly that dominated the dismal U.S. beer marketplace for decades.  And for many of us, Guinness is simply the iconic dry Irish stout, a beer synonymous with St. Patrick’s Day and even Ireland itself.
At the same time, Guinness isn’t craft beer.  It’s one brand among many owned by the multinational alcoholic beverage company Diageo headquartered in London.  A brand that’s lost market share in recent years not necessarily because it’s not craft, but because the craft beer movement has effectively diversified consumer tastes.
And let’s face it: Guinness Draught isn’t exactly your Kentucky Brunch Brand Stout American Double ale....
(www.beersyndicate.com/blog/a-guinness-beer-review-from-west-indies-porter-to-guinness-potato-chips/)

It’s all about craft beer these days. From Budweiser’s advert during the Superbowl and their behind the scenes snapping up of craft breweries, to Thwaites’s Crafty Dan annexe, all the big boys want in on the scene, and Diageo are no different. They’re the biggest drinks company and the produce one of the best-selling beers in the world – Guinness. So, into the fray they have launched a pair of new beers, Guinness Dublin Porter and Guinness West Indies Porter.
The claim is that both beers have been based on old recipes from the olden dayes of Guinness’s long history, 1799 and 1801 respectively. This is standard fare for the established brewers, drawing on their history rather than the innovation of recent years, but the phrase ‘based-on’ gives them lots of wiggle room when it comes to producing a beer that will sit well in the current market.
While Guinness stopped brewing porter back in the 1970s and the boundaries between porter and stout are fairly non-existent these days, it’s a bit of a thing to have Guinness stretch out into a new category, even if that category is really just putting a different word above the harp logo on the label. I tried the Dublin Porter a few weeks back and was unimpressed, finding it to be quite thin and lighter than it’s 3.8% ABV suggested, but the stronger West Indies Porter, at 6% ABV, had some promise due to its heritage (http://spiritedmatters.com/2015/02/guinness-west-indies-porter/).

Guinness’s head of innovation, Nick Curtis-Davis, said the new beers are a reaction to the ‘broader repertoires’ of the Irish consumer but denied that Guinness was seeking to edge other smaller competitors out of the market (www.dailymail.co.uk/news/article-2742570/Guinness-shows-bottle-new-beers-Brewing-giant-offer-two-creations-capitalise-booming-real-ale-market.html).

West Indies Porter [was] developed by The Brewers Project, a small group of talented Guinness brewers in Dublin charged with exploring and creating new recipes, reinterpreting old ones, and bringing exciting new beers to life (www.newschoolbeer.com/2016/03/guinness-introduces-historic-dublin-porter-and-west-indies-porter.html).

According to Guinness, The Brewers Project™ is “a group of enterprising brewers on a quest to explore new recipes, reinterpret old ones and collaborate freely to bring exciting new ideas to life.”
...
West Indies Porter: Of the three releases in the Guinness sample pack, West Indies Porter is the clear champion in terms of overall balance, flavor, and complexity, earning a score of 89/100. The beer pours a rocky tan head with an aroma of malt, coco powder, vague black licorice, tropical coffee bean, sweet tobacco, burnt marshmallow, tamarind pod, and a hint of caramel. The flavor is a rich, complex, malty mix of semi-sweet chocolate, cold coffee, burnt malt, cola, walnuts, dark molasses with a medium-full body and an aftertaste of roasted malt and chocolate-covered raisins.
The West Indies Porter recipe dates back to 1801 when Guinness first began exporting their porter across the globe. It’s the predecessor of today’s Foreign Extra Stout, and was brewed with more hops to preserve the beer during sea voyages of four-to-five weeks in tropical climes (www.beersyndicate.com/blog/a-guinness-beer-review-from-west-indies-porter-to-guinness-potato-chips/).

Guinness™ West Indies Porter – Constantly pushing the envelope to showcase what its brewers could do, Guinness sought to create a porter that could maintain its quality taste and freshness aboard West Indies-bound ships across the ocean for more than a month. In 1801, the brewers at Guinness rose to the challenge, developing a beer with higher hops and more gravity that didn’t just survive the journey, but offered a unique new beer. Based on the original recipe, today’s porter remains an immensely flavorful beer, with generous hops and notes of caramel-toffee giving it a sweet, almost chocolate aroma. In fact, this beer was a precursor to Guinness™ Foreign Extra Stout enjoyed all over the world today. (6% Alc/Vol) (www.newschoolbeer.com/2016/03/guinness-introduces-historic-dublin-porter-and-west-indies-porter.html)



Jet black in color with a ruby edge when held to the light, topped by a heavy collar of foam. It has an inviting aroma of malt loaf, treacle, licorice, sultana fruit and a hint of peppery hops. Roasted grain in the mouth is balanced by burnt fruit, spicy hops and continuing notes of treacle and licorice. Hops fade in the finish, with sweet grain and treacle dominating the long finale. It’s a pity Guinness won’t go down the bottle-conditioned route, as this beer would age well.
- Roger Protz (http://allaboutbeer.com/review/guinness-west-indies-porter/)

It’s fantastic to see Guinness putting all its experience in the stout and porter market to good use to create this archive-inspired, typically black-looking beer. It’s a big bruiser of a porter, offering an aroma of salted caramel, molasses and chocolate fudge before an initially sugary but then mostly bitter taste filled with chocolate, creamy coffee and more molasses. Chocolate and coffee continue in the thick, lasting finish, which rounds off with the familiar Guinness bitter roast character. Overall, it’s a solid, tasty brew, if rather one-dimensional. Bottle conditioning, I feel, would add more subtlety and complexity.
- Jeff Evans (http://allaboutbeer.com/review/guinness-west-indies-porter/)

Hoe vind ik het smaken?

Het bier heeft een flinke carbonatie, met een moutige nasmaak. Geroosterde mout en lichte (mout?)bitterheid. Het donkerbruine bier met een caramelbruine schuimkraag is op zich wel lekker.
Toffee en noten vind ik dan wat lastig te herkennen. Wat voor noten zouden het zijn? Pinda's? Stofnoten, kruidnoten, hazelnoten? Geen idee.


Guinness West Indies Porter is the younger brother of the Dublin Porter, being based (according to the label) on a Brewer Source recipe from 1801. At 6.0% ABV it is also the big hitter of the two, compared to its older siblings 3.8%.
On the initial pour there is a slight head, carbonated and longer lasting than the Dublin Porter, but without the creamy thickness of Guinness. Identical in colour to the Dublin version, West Indies has much more of a scent on the nose, a toffee and chocolate infusion, according to the label. With a sense of smell not exactly matched with a wine expert, I could detect the deep rich hops and flavour.
The West Indies Porter has a much fuller stout flavour and although it matches it for fizz, there is much more body on the tongue and after taste. You can detect the higher alcohol content, especially after being drunk in quick succession with the porter (www.liquorjunky.com/home/guinness-golden-ale).

Het bier heeft inderdaad ook iets alcoholerigs, de smaak heeft verder een wat monotoon karakter. Wellicht beetje gebrande smaak. Zou ik dit bier aanraden? Nee, eigenlijk niet. Het mist voor mij iets. Iets dat het grote Guinness wel heeft (naam en reputatie). Maar het mist de uitdaging (complexe smaak, verrassende afdronk of iets met pit).

Is het dan zonde dat ik het dronk? Nee, maar dan zal er wel iets van historische waarde zijn? dat zou leuk zijn.

Kristen D. Burton heeft daar gedachten over: 'West Indies Porter: Thoughts on Historical Context'
Guinness is far from the first brewery to find inspiration in the past. Dogfish Head gained a lot of attention over the past several years for their Ancient Ale series, which strives to put the past into your glass in a literal way. Guinness is also looking to recreate the drinks of the past, though with a greater emphasis on historical ties to the brewery itself (as, according to the article, the diary entries were written by Guinness brewers).
(https://kristendburton.com/2014/09/07/west-indies-porter-thoughts-on-historical-context/).

The West India Porter first appeared in 1801 and was a classic porter of the type we don’t see any more – produced in a time where temperature control was hard, and thus only brewed in certain months before being matured in wooden vats to round off the ‘freshness’. It was hoppy and strong, so as to be better able to survive export by ship to far off shores, and as it grew in popularity went everywhere there were Irish immigrants, from the Caribbean, its original West India destination, to Africa, India and Australia. It was renamed Foreign Extra Stout in 1849, better reflecting its worldwide export. The recipe has evolved over the years, and it is now brewed locally in many countries around the world. With less hops, a lower strength and a correspondingly different recipe, it’s quite a different beast to the old West India Porter, although still a decent beer.
The Guinness West Indies Porter – I assume the switch from India is due to Diageo’s usual naming paranoia, ensuring that no one thinks its being passed off as being from India – is a product of The Guinness Brewers Project, their inhouse development facility that press releases paint as a craft brewery, despite being hidden inside the St James Gate beer factory in Dublin. I have no problem with large brewers, but the current insistence on everything being small and crafty is starting to wear both me and my carefully cultivated, halfway-between-beer-hipster-and-CAMRA-member beard down.
The beer itself, makes up for the annoyance and the let-down of the Dublin Porter. Rich and chocolatey on the nose, with some bitter chocolate malt, sweet and creamy coffee and a touch of acidity, it continues those ideas onto the palate: thick and creamy in texture, with treacle toffee, bitter coffee and dark chocolate, growing sourness and some sharp acidity. It hangs around for a little bit, with damp coffee grounds and lots of deeply roasted malt ensuring that it doesn’t get cloying.
It’s a bit lighter than Foreign Extra Stout, without as much of the sweetness I find there, and it’s better for it. It’s not quite as heavy, which I miss, but it’s a well-balanced dark beer, that you could probably drink more than one of if you wanted. It’s also not nestled amongst the Dragon Stout and bottles of Carib like the Foreign Extra Sout, which can only be a good thing. I hope it hangs around for a while as it’s as good a supermarket porter as I’ve found in recent times. (http://spiritedmatters.com/2015/02/guinness-west-indies-porter/).

Guinness is a huge, well-liked brewery, and I believe these beers will make a splash as a result. Personally, I always enjoy a nice Guinness, and I look forward to the day that I can try these new beers. Though critiques may focus on the accuracy of recreating a historical brew, one point that stuck out to me was inclusion of the West Indies on one of the labels. A West Indies Porter may not sound too exciting to some, and it may appear as a simple play on the ever popular India Pale Ale (IPA) beer style. However, the Irish connection to the West Indies is one that features a hard and horrific history – the result of imperial interests, conquest, and forced labor.
When Americans think of Irish culture, many things come to mind, among them are the color green, Flogging Molly, and Guinness. These colors, sounds, and tastes roll out every year in March as Americans, whether of Irish descent or not, enjoy the excuse to carouse amongst friends. What people consider less when thinking about the Irish, especially in the midst of a party, is their long history of subjugation. For the Irish, the West Indies represents one particularly galling episode (https://kristendburton.com/2014/09/07/west-indies-porter-thoughts-on-historical-context/).

In the aftermath of the English Civil War (or English Revolution, depending on who you talk to), Oliver Cromwell launched a campaign of conquest in Scotland and in Ireland. Cromwell’s conquest of Ireland was brutal – so much so, that the population of Ireland fell from 1,466,000 to 616,000 between 1641 and 1659. No wonder Cromwell gained the nickname “The Butcher.” (https://kristendburton.com/2014/09/07/west-indies-porter-thoughts-on-historical-context/).

Oliver Cromwell[1] (Huntingdon, Cambridgeshire, 25 april 1599 - Londen, 3 september 1658) was een Engels militair, staatsman en lord protector van Engeland, Schotland en Ierland.
Cromwell, oorspronkelijk een uit Cambridgeshire afkomstige herenboer, was een puriteinse leider. Hij leidde de republikeinse troepen in de Engelse Burgeroorlogen tegen de anglicaanse, maar tegelijk pro-Vaticaanse koning Karel I. Dit leidde uiteindelijk tot de afschaffing van de monarchie in 1649. Nadat hij Karel I had laten onthoofden werd Cromwell staatshoofd van het Engelse Gemenebest, wat hij bleef tot zijn dood in 1658 (https://nl.wikipedia.org/wiki/Oliver_Cromwell).

Cromwell is one of the most controversial figures in the history of the British Isles, considered a regicidal dictator by historians such as David Sharp,[4] a military dictator by Winston Churchill,[5] but a hero of liberty by John Milton, Thomas Carlyle, and Samuel Rawson Gardiner, and a class revolutionary by Leon Trotsky.[6] In a 2002 BBC poll in Britain, Cromwell was selected as one of the ten greatest Britons of all time.[7] However, his measures against Catholics in Scotland and Ireland have been characterised as genocidal or near-genocidal,[8] and in Ireland his record is harshly criticised.[9] (https://en.wikipedia.org/wiki/Oliver_Cromwell)

Veel van Cromwells maatregelen waren meedogenloos. Hij sloeg tegen het einde van de burgeroorlog diverse malen opstanden van de parlementaire troepen neer, mede veroorzaakt doordat de soldaten niet betaald werden. Cromwell had weinig sympathie voor de ideeën van de levellers, die onder andere de rijkdom wilden verdelen. Zó ver wilde hij niet gaan in de opzet van een nieuwe staat. Latere gebeurtenissen wezen uit dat hij ook niet in staat was een stabiele parlementaire republiek op te zetten. De interne verdeeldheid groeide meer en meer. Ook de eerste Engels-Nederlandse Oorlog bracht niet de gewenste saamhorigheid.
Cromwell werd dictator van Engeland via een staatsgreep in 1653, nadat het parlement het vertrouwen in hem had opgezegd en had geweigerd zijn begroting te bekostigen (die buitensporig was geworden door de permanente soldijkosten van het grote beroepsleger zolang dat gemobiliseerd bleef).
Cromwells verovering van Schotland liet daar geen blijvende schade of bitterheid na. Het Gemenebest oefende een vredelievend en fair beleid uit onder het commando van generaal George Monck. In Ulster daarentegen werden enorme hoeveelheden land afgepakt van de katholieke bevolking om aan schuldeisers van het parlement te worden gegeven. Dit waren protestantse immigranten en veteranen van de New Model Army. De oorspronkelijke eigenaren hadden de keuze "To hell or Connaught" oftewel gedood worden of naar onvruchtbaar gebied trekken. Dit zette veel kwaad bloed  (https://nl.wikipedia.org/wiki/Oliver_Cromwell).

Wat die onvruchtbare grond betreft:

One result of this conquest was the mass shipment of Irish prisoners to the West Indies. The act grew common enough that it became known as being “Barbadosed.” Even though they were officially labelled as indentured servants, historians have drawn comparisons between the forced migration and treatment of the Irish to the early years of African enslavement in the West Indies.
Today, a small population of the descendants of these laborers, known as Red Legs, remain in Barbados, where many continue to live in a state of poverty. Though this story does not often receive much attention, it is by no means a secret. In fact, the popular band Flogging Molly, whose songs gain a lot of play-time around St. Patrick’s Day, has a song about this specific episode in Irish history... For these reasons, the appearance of “West Indies” on the new Guinness bottle struck me as historically complicated. The Irish have not forgotten the events of the mid-seventeenth century, but it is now a marketing point for Ireland’s most famous brewery. Though, considering the long and embittered history of British imperialism in India, which ultimately spawned the beloved hoppy style of beer, perhaps this reference to the horrors of forced migration and labor in the West Indies is nothing more than a play on words.
(https://kristendburton.com/2014/09/07/west-indies-porter-thoughts-on-historical-context/),

Wat een vage verwijzing. Zou het echt zo zijn dat de biermarketeers deze geschiedenis niet kent?

Maar nog even terug naar de Levellers:

The Levellers were a political movement during the English Civil War (1642–1651) that emphasised popular sovereignty, extended suffrage, equality before the law, and religious tolerance, all of which were expressed in the manifesto "Agreement of the People". In contrast to the Diggers, the Levellers opposed common ownership, except in cases of mutual agreement of the property owners.[1] The Levellers came to prominence at the end of the First English Civil War (1642–1646) and were most influential before the start of the Second Civil War (1648–1649). Leveller views and support were found in the populace of the City of London and in some regiments in the New Model Army.
The Levellers were not a political party in the modern sense of the term; they did not all conform to a specific manifesto. They were organised at the national level, with offices in a number of London inns and taverns such as The Rosemary Branch in Islington, which got its name from the sprigs of rosemary that Levellers wore in their hats as a sign of identification. From July 1648 to September 1649, they published a newspaper, The Moderate,[2] and were pioneers in the use of petitions and pamphleteering to political ends.[3][4] They identified themselves by sea-green ribbons worn on their clothing. After Pride's Purge and the execution of Charles I, power lay in the hands of the Grandees in the Army (and to a lesser extent with the Rump Parliament). The Levellers, along with all other opposition groups, were marginalised by those in power and their influence waned. By 1650, they were no longer a serious threat to the established order.
The term "leveller" had been used in 17th-century England as a term of abuse for rural rebels. In the Midland Revolt of 1607, the name was used to refer to those who levelled hedges in enclosure riots.[5][6]
As a political movement, the term first referred to a faction of New Model Army Agitators and their London supporters who were allegedly plotting to assassinate Charles I of England. But the term was gradually attached to John Lilburne, Richard Overton, and William Walwyn and their "faction". .... The term suggested that the "Levellers" aimed to bring all down to the lowest common level. The leaders vehemently denied the charge of "levelling", but adopted the name because it was how they were known to the majority of people. After their arrest and imprisonment in 1649, four of the "Leveller" leaders – Walwyn, Overton, Lilburne and Thomas Prince – signed a manifesto in which they called themselves Levellers.
The Oxford English Dictionary dates the first written use of the term for a political movement to 1644,[8] but the source cited there, Marchamont Needham's pamphlet The Case for the Commonwealth of England Stated, dates from 1650.[9] The term was used in a letter of 1 November 1647. The 19th-century historian S. R. Gardiner suggested that it existed as a nickname before this date.[10] Blair Worden, the most recent historian to publish on the subject, concluded that the 1 November letter was the first recorded use of the term.[11] The letter referred to extremists among the Army agitators: "They have given themselves a new name, viz. Levellers, for they intend to sett all things straight, and rayse a parity and community in the kingdom".[12]
(https://en.wikipedia.org/wiki/Levellers).

De Engelse Burgeroorlog is de periode van conflict in de koninkrijken Engeland, Schotland en Ierland tussen 1639 en 1651, en verwijst specifiek naar de twee oorlogen (1642–1645 en 1648–1649) tussen de koningsgezinde aanhangers van Karel I van Engeland – de cavaliers – en de aanhangers van het Long Parliament, de roundheads. Een derde oorlog (1649-51) tussen de aanhangers van Karel II en de verdedigers van het rompparlement, eindigde met een overwinning voor het parlement in september 1651.
De oorlogen leidden tot de berechting en onthoofding van Karel I, de verbanning van zijn zoon Karel II en de vervanging van de monarchie door het Engelse Gemenebest (1649–1653) en vervolgens het Protectoraat (1653–1659) onder de heerschappij van Oliver Cromwell. Het monopolie van de Anglicaanse Kerk op de christelijke eredienst vond zijn einde, en een nieuwe protestantse aristocratie ontstond in Ierland. Een belangrijk precedent werd geschapen: de koning kon voortaan niet regeren zonder de toestemming van parlement en volk.
De burgeroorlogen braken niet uit omwille van de weerstand van de Engelsen tegen het beleid van Karel I, die elf jaar zonder parlement regeerde, maar omdat zijn Schotse onderdanen weerstand boden tegen zijn politieke en kerkelijke hervormingen (https://nl.wikipedia.org/wiki/Engelse_Burgeroorlog).

Op 4 januari 1642 poogde Karel I vijf leden van het parlement, die hij verantwoordelijk achtte voor het verzet van het parlement, voor hoogverraad te arresteren. Hij kwam persoonlijk naar het parlement maar moest vaststellen dat de heren gevlucht waren. Ze werden op hun vlucht beschermd door bewapende aanhangers van het parlement. Londen bleek in oproer. De koningin en de koninklijke familie vluchtten naar het continent.
De eerste Engelse burgeroorlog (1642-45)
Het “Long Parliament” bracht een leger op de been onder de leiding van de graaf van Essex. Karel I, die ondertussen Londen verlaten had, plantte op 22 augustus zijn standaard in Nottingham en deed tevergeefs een oproep om het land een burgeroorlog te besparen.
De standpunten van beide kampen zijn gekend: de royalisten vochten voor een traditionele kerk en staat, de ‘roundheads’ wilden radicale hervormingen op het vlak van geloof en economie en eisten een herverdeling van de macht op het hoogste vlak.
Grote delen van Wales, Cornwall en Noord-Engeland kozen de kant van de vorst. Andere delen van het land poogden aanvankelijk neutraal te blijven. Men kan stellen dat Karel I vooral op het platteland en bij de katholieken steun vond terwijl Londen, de graafschappen van het zuidoosten en de centra van de lakenweverij voor het merendeel de kant van het parlement kozen.
Het parlement, dat de wapenarsenalen van Londen en Hull bezat, beschikte duidelijk over meer middelen dan de royalisten. De koning hoopte dit onevenwicht te kunnen compenseren door snelle overwinningen te boeken. Het verklaart waarom de graaf van Newcastle onmiddellijk de belegering van Hull aanvatte.... Het jaar 1645 zou een fataal jaar worden voor de koning. Het begon met een reeks executies waaronder die op 10 januari van William Laud, de aartsbisschop van Canterbury, voor hoogverraad. Dit zou definitief een periode in de geschiedenis van de Kerk van Engeland afsluiten.
Op 15 februari werd het New Model Army tot leven gewekt met Fairfax als bevelhebber en Cromwell als tweede in bevel (https://nl.wikipedia.org/wiki/Engelse_Burgeroorlog).

De Engels-Nederlandse Oorlogen
Eerste Engels-Nederlandse Oorlog (1652-1654)
Tweede Engels-Nederlandse Oorlog (1665-1667)
Derde Engels-Nederlandse Oorlog (1672-1674)
Vierde Engels-Nederlandse Oorlog (1780-1784)
(http://dekluizenaar.mimesis.nl/?p=3558)

De zeeslag bij Livorno, 14 maart 1653, gebeurtenis uit de Eerste Engels-Nederlandse Zeeoorlog
Maker Vervaardiger: Lingelbach, Johannes
Verworpen toeschrijving: anoniem
Vervaardigingsjaar 1660

De Eerste Engels-Nederlandse Oorlog of Eerste Engelse Zeeoorlog, was een oorlog, geheel op zee bevochten, tussen het Engelse Gemenebest en de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden, van 29 mei 1652 tot 8 mei 1654.
In de vroege 17e eeuw beschikten de Nederlanders over een gigantische handelsvloot, groter dan de vloten van alle Europese landen bij elkaar. Ze hadden een zeer dominante positie in de Baltische handel en een belangrijk deel in handen van de scheepvaart op de rest van Europa. Ze veroverden verder nog grote delen van de Portugese koloniën, waaronder die in het door de specerijenhandel zeer profijtelijke Oost-Indië. In dat gebied werden de Engelsen steeds verder uitgesloten, maar de Nederlanders smokkelden met een beroep op het principe van de vrije zee wel met Engelands Noord-Amerikaanse koloniën. Na de Vrede van Münster in 1648 namen de Nederlanders de traditionele handel van Engeland met Spanje en Portugal over, wat in Engeland een enorm ressentiment opriep.
Het welvaartsverschil tussen de Republiek en Engeland werd tussen 1600 en 1650 steeds groter. Steeds openlijker en luider werd in Engeland de roep gehoord de Nederlandse positie met geweld over te nemen, waarbij er vaak op gewezen werd dat Engeland door zijn ligging een natuurlijk geografisch voordeel bezat. De Engelse koningen bleven echter lang Spanje als de hoofdvijand zien. Tot 1634 waren de protestantse Nederlanders en Engelsen natuurlijke bondgenoten geweest tegen het katholieke Spanje; dat jaar sloten Engeland en Spanje een geheim verdrag om de Nederlandse blokkade van Duinkerke te omzeilen met neutrale Engelse schepen, terwijl Engeland in dat decennium langzaam een aantal zeer grote oorlogsschepen begon te bouwen. De verhoudingen tussen het Huis van Oranje en het Huis Stuart bleven echter goed; juist die goede relaties zouden echter via een omweg tot oorlog leiden.
In 1640 brak de Engelse Burgeroorlog uit. De royalisten probeerden Karel I van Engeland op de troon te houden. Toen deze steeds verder in het gedrang kwam, wisten de Staten van Holland met moeite te voorkomen dat stadhouder Frederik Hendrik met zijn sterke leger ten gunste van de koning zou interveniëren. Ze konden echter niet beletten dat de stadhouder zichzelf in de schulden stak om de schoonvader van zijn zoon te ondersteunen. De republikeinse partij, op het eind onder leiding van Oliver Cromwell, begon zo Nederland als een tegenstander te zien. Toen Karel in 1649 onthoofd werd en dit in Nederland een algemeen afgrijzen opriep, kwamen de verhoudingen met de "koningsmoordenaars" op scherp te staan. Er waren echter ook overeenkomsten tussen de Commonwealth en de Republiek: beide waren puriteins en republikeins. Toen dan ook na de dood van Frederik Hendrik zijn zoon Stadhouder Willem II de monarchistische pretenties van zijn vader omzette in een echte staatsgreep, zochten de Staten van Holland toenadering tot Cromwell en zinspeelden op een toetreden van Holland tot de Commonwealth (https://nl.wikipedia.org/wiki/Eerste_Engels-Nederlandse_Oorlog).

Het Engelse Gemenebest (Engels: Commonwealth of England) was een republikeins bestuur van Engeland en Wales, samen met alle kolonies en Kroonbezittingen van de periode. Al snel breidde het zich echter uit tot geheel Groot-Brittannië en Ierland. Het bestuursorgaan van het gemenebest, het 'Rump Parliament', was een selectie uit het Long Parliament waar alle aanhangers van wijlen Karel I uit waren verwijderd.
Het gemenebest werd opgericht in 1649, nadat koning Karel I van Engeland werd onthoofd op 30 januari. Dit was tegelijk het einde van de Engelse Burgeroorlog. Op 19 mei dat jaar nam het Rump Parliament "An Act declaring England to be a Commonwealth" (Een Wet die Engeland Uitroept tot Gemenebest) aan.
Het gemenebest werd in 1653 overgenomen door Oliver Cromwell, die zich aanduidde als 'Lord Protector' en de absolute macht over het Gemenebest overnam. Deze staatsvorm staat bekend in de Engelse geschiedenis als het Protectoraat.
In 1658 stierf Cromwell en diens zoon Richard werd niet gezien als een geschikte opvolger. Het Rump Parliament nam de macht weer over. Door een meerderheid werd het koningschap toch als de meest geschikte staatsvorm gezien, en daarom werd Karel II van Engeland uitgenodigd om weer terug te keren. Dit betekende het einde van het Gemenebest.
(https://nl.wikipedia.org/wiki/Engelse_Gemenebest)

In 1650 overleed Willem II echter plotseling en men had Engelands steun tegen zijn heerschappij niet meer nodig. De Staten van Holland werden dan ook in uiterste verlegenheid gebracht toen bleek dat Cromwell de eerdere suggesties volledig serieus had genomen en in maart 1651 een enorm gezantschap naar Den Haag zond om de toetreding van de Republiek tot het "Engelse Gemenebest" uit te werken. De Engelse dictator hoopte oprecht alle moeilijkheden tussen Engeland en Nederland voorlopig uit de wereld te helpen door de wereld in twee invloedssferen te verdelen: de Republiek zou Afrika en Azië krijgen; in ruil daarvoor zou die de Engelsen helpen bij de verovering van heel Amerika op Spanje. Bovendien zouden de Engelsen helpen bij het bevrijden van de Spaanse Nederlanden. De Hollandse regenten waren echter te nuchter om op zulke grandioze plannen in te gaan; in een nieuwe oorlog aan de zuidgrens had men zo kort na 1648 al helemaal geen trek. Men kwam op 24 juni met het tegenvoorstel om eerst een vrijhandelsverdrag te sluiten. Dat was echter het laatste waar de Engelsen op zaten te wachten want dat zou Nederlands handelsdominantie alleen maar vergroten. Men vatte het voorstel dan ook op als een opzettelijk affront en obstructie van het onderhandelingsproces. Het gevoel niet serieus genomen te worden, werd nog vergroot door het feit dat Engelse edelen in ballingschap, die een kliek vormden rond Willems weduwe Maria Henriëtte Stuart, het Haagse gepeupel betaalden om de Engelse ambassade te belegeren. Men kon het gebouw alleen onder zwaarbewapend escorte verlaten wilde men niet door een menigte oranjeklanten gemolesteerd worden. De verhalen over de behandeling die het Engelse gezantschap ondervond, nog eens zwaar aangedikt, leidden tot een verhitte sfeer in het Engelse Parlement. Als de Nederlanders de confrontatie zochten, konden ze die krijgen (https://nl.wikipedia.org/wiki/Eerste_Engels-Nederlandse_Oorlog).

In 1651 aanvaardde het Engelse parlement de Acte van Navigatie, waardoor de handelsvaart naar Engeland uitsluitend aan de Engelse handelsvloot werd toegestaan. Dat zette de relatie tussen de beide landen op scherp en het duurde niet lang voor het wapengekletter losbarste. In 1652 weigerde de Nederlandse vloot onder leiding van Maarten Harpertsz. Tromp, in de buurt van Dover, om de Engelse admiraal Robert Blake als eerste te groeten. Dit resulteerde in een gevecht. Een gezantschap naar Londen mislukte, en de ene zeeslag na de andere werd uitgevochten. In augustus 1652 versloeg Michiel de Ruyter de Engelsen bij Plymouth, maar de kansen keerden. In oktober leed Witte de With een nederlaag tijdens de Slag bij Duins tegen admiraal Blake. In februari 1653 werd Tromp bij Portland in de Driedaagse Zeeslag verslagen en in juni bij Nieuwpoort. De Britten legden een blokkade voor de Nederlandse kust, die in augustus door zeegevechten bij Wijk aan Zee en Ter Heijde werd gebroken. Admiraal Maarten Tromp sneuvelde echter tijdens de Slag bij Ter Heijde.
De Eerste Engelse Oorlog eindigde op 15 april 1654 met de eerste Vrede van Westminster, met voor Nederland ongunstige voorwaarden. De Akte van Navigatie bleef gehandhaafd. In een geheim artikel werd bovendien de zogenaamde Akte van Seclusie opgenomen, waarin werd bedongen dat Willem III, de zoon van Prins Willem II, stadhouder en Prins van Oranje, zelf nooit stadhouder zou worden (www.geheugenvannederland.nl/nl/geheugen/pages/collectie/Nederland+en+Engeland%3A+de+band+tussen+twee+naties/De+Engels-Nederlandse+oorlogen).

Engelse Scheepvaartwetten[bewerken]
Officieel om de Engelse positie in Noord-Amerika te beschermen, maar in werkelijkheid om de Nederlandse handel zo groot mogelijke schade toe te brengen, keurde het Engelse Parlement in oktober de Engelse Scheepvaartwetten goed, waardoor goederen uit de Engelse koloniën en alle goederen voor Engeland enkel nog maar door Engelse schepen mochten worden getransporteerd. Deze wetten belemmerden niet alleen voornamelijk de Nederlandse handel, ze werden ook nog eens misbruikt als een voorwendsel om Nederlandse schepen in beslag te nemen, iets wat meer dan 140 maal gebeurde. Dit werd de aanleiding van de Eerste Engelse Zeeoorlog: Engelse kapers begonnen openlijk oorlogshandelingen uit te voeren en de Staten-Generaal, onder invloed van een sterke orangistische propaganda, waren niet van plan over zich heen te laten lopen. De bevolking dacht op dat moment zeker zo sterk als de Engelsen te zijn en algemeen leefde de verwachting dat de Republiek een klinkende overwinning zou behalen. Die hoop was echter niet gebaseerd op een reële inschatting van de gevechtskracht van haar marine.
...
In mei 1652 was de Nederlandse luitenant-admiraal Maarten Tromp wat traag om een Engelse vloot in het Kanaal te groeten door zijn vlag naar beneden te halen. De Engelsen stonden erop in de "Engelse wateren" als eerste gegroet te worden. Als antwoord vuurde de Engelse generaal-ter-zee Robert Blake drie waarschuwingsschoten met scherp (dit was overigens een gangbare reactie); het derde trof de Brederode, en zo begon de Slag bij Dover. Dit was eigenlijk niet meer dan een lichte schermutseling maar ondanks excuses van Tromp verklaarde het Engelse Parlement op 10 juli de oorlog. Latere gevechten werden over het hele Kanaal en zuidelijke Noordzee uitgevochten: de Slag bij Plymouth in augustus gewonnen door vicecommandeur Michiel de Ruyter, de Slag bij de Hoofden in de Thames verloren door viceadmiraal Witte de With en de Slag bij de Singels in december, gewonnen door Tromp, waardoor Blake in het parlement vernederd werd, aangezien hij had gedacht dat de oorlog voorbij was en het grootste gedeelte van de vloot naar de Middellandse Zee had gestuurd. Op dat moment leek de positie van de Engelsen zeer slecht. Hun Middellandse Zeevloot was geblokkeerd — en werd in maart 1653 door commandeur Jan van Galen verslagen in de Slag bij Livorno — geen enkel Brits schip kon de Oostzee in, zodat men een tekort had aan timmerhout en teer, en de Nederlanders blokkeerden de Engelse zeehavens.
Hoewel de Nederlanden dus succesvol schenen, was de Republiek in feite niet in staat de oorlog langdurig voort te zetten. Aangezien het ronselen van matrozen althans officieel verboden was, moesten er enorme sommen betaald worden om voldoende zeelui te lokken. Die begrepen maar al te goed dat het fundamentele probleem van de Nederlandse vloot: het gebrek aan zware schepen, nog niet opgelost was. Recife in Brazilië kon niet meer ondersteund worden en ging weer aan de Portugezen verloren.
Robert Blake ontwikkelde een nieuwe tactiek om de Engelse overmacht in vuurkracht volledig uit te buiten: het varen in kiellinie. De Engelsen bleken inderdaad sterker te zijn in de gevechten van 1653, zoals in maart de Driedaagse Zeeslag bij Portland, onder de Engelse zuidkust, de voor de Republiek catastrofale Zeeslag bij Nieuwpoort van de 12e tot de 13e juni 1653 die tot een blokkade van de Nederlandse kust leidde, en de Slag bij Ter Heijde, ten zuiden van Scheveningen, waar beide vloten zwaar beschadigd werden en de Engelsen hun blokkade moesten opgeven. Tromp sneuvelde in dit laatste gevecht, waardoor de Nederlandse publieke opinie zich tegen de oorlog keerde. Ondanks de successen waren echter ook de Engelsen aan het eind van hun Latijn.
...De vredesonderhandelingen werden afgesloten op 15 april 1654 met het tekenen van het Verdrag van Westminster (1654). Dit verdrag had een geheime clausule: de Akte van Seclusie, waarbij de Nederlanders zich bonden nooit de zoon van de aan het huis van Stuart verbonden Willem II, de latere Willem III van Oranje, tot stadhouder te benoemen. Deze clausule was schijnbaar op aandringen van de anti-orangistische Cromwell opgenomen; maar wellicht zat Johan de Witt hierachter, om zo de orangisten de pas af te snijden. In ruil daarvoor zou de Republiek Cromwell niet lastig vallen met steun aan de nog in ballingschap levende troonpretendent van het Huis Stuart, de latere Karel II van Engeland.
De oorlog was nu officieel voorbij, maar de handelsrivaliteit tussen de twee naties bestond nog altijd, vooral in de koloniale rijken, die beide aan het opbouwen waren, mede ten koste van de Spanjaarden en de Portugezen. De vijandelijkheden tussen de twee handelsvloten gingen door; de verschillende Indische Compagnieën hadden eigen oorlogsschepen en troepen. De in opeenvolgende orders in 1654 bestelde tweemaal dertig nieuwe schepen van de Nederlanders, die vlak na de oorlog van stapel zouden lopen, mochten bij wet nooit meer verkocht worden. De Tweede Nederlands-Engelse Oorlog was dus al in voorbereiding (https://nl.wikipedia.org/wiki/Eerste_Engels-Nederlandse_Oorlog).


De eerste Nederlands Engelse oorlog duurde van 1652 tot 1654. Op 10 augustus 1653 werd de Battle of Scheveningen geleverd, die in Nederland de slag bij Terheide werd genoemd. De oorlogsschepen lagen van Terheide tot Katwijk voor de kust. Jan Abrahamsz schilderde de slag tussen 1653 en 1666. Het vlaggeschip van admiraal Maarten Harpertsz. Tromp, de Brederode en de Resolution zijn te zien in het miden van het schilderij. Van een overwinnaar was geen sprake, wel van groot verlies aan beide kanten. De confrontatie had nog maar net zijn aanvang genomen, toen admiraal Maarten Harpertsz. Tromp sneuvelde (www.scheveningen1813-2013.nl/toenennu/kapers/index.html).

Tweede Engels-Nederlandse Oorlog (1665-1667)
Karel II van Engeland, die in 1660 de Engelse troon had bestegen, stelde van alles in het werk om Willem III als stadhouder van de Verenigde Nederlanden benoemd te krijgen, en speelde daarbij Orangisten en Staatsgezinden tegen elkaar uit. In Engeland heerste een oorlogszuchtige stemming. Men hoopte de handel van Nederland dusdanig te kunnen dwarszitten dat Engeland een onbetwiste positie als dominante handelsnatie kon veroveren. In 1664 veroverde Engeland Curaçao, Nieuw-Amsterdam en de West-Afrikaanse factorijen, de basis van de Nederlandse slavenhandel. Michiel de Ruyter werd erop af gestuurd en wist de bezittingen terug te veroveren, maar in 1665 verplaatste de oorlog zich naar Europa.
De eerste belangrijke zeeslag, op 13 juni bij Lowestoft, eindigde in een Engelse overwinning. Hierbij ging het vlaggenschip De Eendragt van admiraal Jacob van Wassenaer Obdam de lucht in. In januari 1666 mengde Frankrijk zich aan de zijde van Nederland in de oorlog. Luitenant-admiraal Michiel de Ruyter boekte beroemde successen in de Vierdaagse Zeeslag (1-4 juni 1666) tegen de Engelse vloot onder generaal George Monck, en door de gewaagde tocht naar Chatham (ook bekend als de Slag bij Medway). De Nederlanders voeren de Thames op tot Gravesend en zeilden vervolgens de rivier de Medway op tot in Chatham. Daar doorbraken ze een kettingbarrière, brachten vier schepen tot zinken, en sleepten de trots van de Engelse vloot, HMS Royal Charles, mee naar Nederland.
Op 9 augustus 1666 voerde admiraal Robert Holmes een aanval uit op de Oost-Indiëvaarders die afgemeerd lagen in het Vlie. Zo’n 150 schepen werden vernield, en de stad West-Terschelling werd geplunderd. Deze aanval, die bekend zou worden onder de naam ‘Holmes’ Bonfire’ (Het vreugdevuur van Holmes), betekende een zware slag zowel voor de Nederlandse koopvaardij als voor de oorlogsinspanningen. Aan Britse zijde vielen slechts twaalf slachtoffers. Toen een maand later Londen getroffen werd door een grote brand, zagen velen in Nederland daarin Gods straf voor deze aanval.
De Tweede Engelse Oorlog eindigde met de Vrede van Breda, die als gunstig werd beschouwd voor Nederland. De Engelse scheepvaartwetten werden versoepeld. Wel moest de Republiek accepteren dat Nieuw Amsterdam voorlopig in Engelse handen zou blijven. De stad kreeg een nieuwe naam: New York, naar Jacobus II, Hertog van York, de broer van de Engelse koning. Suriname zou Nederlands bezit blijven. Een definitieve beslissing over het eigendom van de koloniën werd overigens uitgesteld (www.geheugenvannederland.nl/nl/geheugen/pages/collectie/Nederland+en+Engeland%3A+de+band+tussen+twee+naties/De+Engels-Nederlandse+oorlogen).

Na de Engelse overwinning bij Lowestoft op 13 juni 1665 
tijdens de Tweede Engelse Oorlog (1665-1667)

De Tweede Engels-Nederlandse Oorlog was een oorlog tussen Engeland en de Republiek der Verenigde Nederlanden die van 1665 tot 1667 duurde. Voorafgegaan door de Eerste Engels-Nederlandse Oorlog was ook dit een oorlog die zich vrijwel geheel op zee afspeelde, waarbij de sterkte van de vloot doorslaggevend zou blijken.
Oorzaken voor het uitbreken van deze oorlog zijn te vinden in de constante conflicten tussen de Republiek en Engeland in de koloniale gebieden en nederzettingen. Zo veroverden de Engelsen in het jaar 1664 Curaçao en Nieuw-Amsterdam en nam de engelse ex-kaapvaarder Robert Holmes zonder duidelijk mandaat enkele Nederlandse forten op de West-Afrikaanse kust in. De Nederlanders stuurden daarop Michiel de Ruyter naar deze forten, die ze prompt heroverde.
...
Directe aanleiding voor het uitbreken van de Tweede Engelse Oorlog was de bemoeienis van de Engelse koning Karel II met het Nederlandse stadhouderschap tijdens het Eerste Stadhouderloze Tijdperk: hij wilde dat de jonge Willem III van Oranje-Nassau stadhouder zou worden en hoopte door het bespelen van orangistische gevoelens de Nederlanders tegen elkaar uit te spelen. De schijn van zwakte die de tegenstellingen in de Republiek wekten, gaven de handelselite van Engeland de valse hoop dat ze de positie van dominante handelsnatie zelf konden overnemen door simpelweg alle handelsroutes van de Republiek te blokkeren. De oorlogsstemming werd zo sterk dat de tamelijk terughoudende Karel er geen weerstand meer aan kon bieden.
...
In 1665 kwam het tot oorlog tussen de twee grote mogendheden, een oorlog die voornamelijk bestond uit het beschermen van de eigen koopvaardijschepen, het buitmaken van de vijandelijke en het pogen de wederzijdse oorlogsvloten tot zinken te brengen. Een uitzondering was de aanval van de bisschop van Münster, Bernhard von Galen, die met Engelse subsidie Gelderland, Overijssel en Drenthe binnenviel, gebruikmakend van de verwaarlozing van het Staatse leger sinds 1648 (zie Eerste Münsterse Oorlog).
...
De Nederlandse vloot stond vanaf 11 augustus 1665 onder leiding van luitenant-admiraal Michiel de Ruyter, die vele successen zou boeken. Hij speelde een hoofdrol in twee gedenkwaardige gebeurtenissen in deze Tweede Engelse Oorlog, namelijk de Vierdaagse Zeeslag, en de tocht naar Chatham. Anders dan de Engelsen verwacht hadden, schaarden alle gewesten van de Republiek zich achter Holland, ook het Oranjegezinde Friesland, dat samen met Groningen 28 oorlogsschepen uitrustte.
...
Na de Nederlandse overwinning in de Vierdaagse Zeeslag (11 - 14 juni 1666) waarin de zware HMS Prince Royal zich overgaf, leek het er even op dat Engeland al verslagen was, maar tot ieders verrassing kon het toch opnieuw een vloot uitrusten die sterk genoeg was om op 4 augustus in de Tweedaagse Zeeslag bij North Foreland de Nederlandse vloot aan de rand van de afgrond te brengen. De Republiek begon geldgebrek te krijgen, wat nog verergerd werd door een Engelse verrassingsaanval, Holmes's Bonfire, die een handelsvloot tussen Vlieland en Terschelling verwoestte en het stadje Ter Schelling neerbrandde.
De Tweede Engelse Oorlog zou uiteindelijk na de Tocht naar Chatham op 31 juli 1667 met de Vrede van Breda worden besloten, een vrede die in die tijd als gunstig voor de Republiek werd gezien. Besloten werd namelijk dat de Engelse Scheepvaartwetten zouden worden versoepeld - alle Duitse landen zouden beschouwd worden als het natuurlijke achterland van de Republiek - en dat (het Nederlandse) Nieuw Amsterdam (het hedendaagse New York) voorlopig in Engelse handen zou blijven en het meer renderende Suriname Nederlands bezit zou zijn: de status quo bleef bij deze gebieden dus gehandhaafd, hoewel er nog geen definitieve beslissing over werd genomen.
De vrede zou echter niet lang duren, de Derde Engels-Nederlandse Oorlog, onderdeel van de Hollandse Oorlog (1672-1678), kwam er al aan (https://nl.wikipedia.org/wiki/Tweede_Engels-Nederlandse_Oorlog).

Vlaggenschip van Cornelis Tromp op de rede van Texel
Ludolf Backhuysen: Nederlandse schepen op de rede van Texel; in het midden de Gouden Leeuw, het vlaggenschip van Cornelis Tromp, 1671 (www.absolutefacts.com/nl/vlaggenschip-cornelis-tromp.htm)

De Gouden Leeuw had 490 bemanningsleden en een lengte van vijftig meter. Het schip was bewapend met 82 kanonnen, die stonden opgesteld op het onder-, tussen- en bovendek. De zwaarste kanonnen, met het grootste bereik, stonden op de onderste geschutsrij. De Gouden Leeuw gebruikt in drie belangrijke zeeslagen in 1673 tijdens de Derde Engels-Nederlandse Oorlog: de Eerste Slag bij het Schooneveld, de Tweede Slag bij het Schooneveld en de Slag bij Kijkduin.
Oostzee
Cornelis Tromp volgde in 1676 Koert Adelaer op als opperbevelhebber van de Deense vloot. Een vrije toegang tot de Oostzee was belangrijk voor de Nederlandse handel. Op 11 juni versloeg Tromp de Zweedse vloot in de Slag bij Öland. Door deze overwinning op Zweden kreeg het bevriende Denemarken de controle op de Oostzee. Op 7 juli 1676 heroverde Tromp Ystad in Zuid-Zweden. Koning Christiaan verhief hem als dank tot graaf van Syllisborg (www.absolutefacts.com/nl/vlaggenschip-cornelis-tromp.htm).

Derde Engels-Nederlandse Oorlog (1672-1674)
Het rampjaar: zo staat 1672 in Nederland te boek. Engeland had zich aangesloten bij een bondgenootschap tussen Frankrijk, Münster en Keulen. Op 6 april verklaarden deze landen de Republiek de oorlog. Nederland werd ter land en ter zee aangevallen. Michiel de Ruyter wist de Engels-Franse vloot een aantal zware slagen toe te brengen en kon een invasie vanuit zee afwenden. Op het land gingen de zaken minder voorspoedig. Een Frans leger, 120.000 man sterk, rukte op naar Keulen en trok via de Rijn de Republiek binnen. Tegelijkertijd overschreed de bisschop van Münster met zijn troepen de grens in Overijssel. ‘Het volk was redeloos, de regering radeloos, en het land reddeloos:’ met deze kernachtige omschrijving is deze periode in de Nederlandse geschiedenisboekjes terecht gekomen.
Willem III wordt in allerijl tot stadhouder benoemd, en Johan de Witt treedt af als raadpensionaris. De volkswoede uit zich in de gruwelijke lynchpartij die hem en zijn broer Cornelis het leven zal kosten.
De oorlog eindigde met de tweede Vrede van Westminster. Engeland kreeg het saluutrecht en een schadeloosstelling van een miljoen Engelse ponden, maar Willem III was erin geslaagd om de voor Nederland zo gevaarlijke Frans-Britse alliantie te verbreken. Nieuw-Amsterdam, dat de Nederlanders in 1673 hadden weten terug te veroveren en ‘Nieuw-Oranje’ hadden gedoopt werd nu definitief overgedragen aan de Engelsen, en de Nederlanders behielden Suriname (www.geheugenvannederland.nl/nl/geheugen/pages/collectie/Nederland+en+Engeland%3A+de+band+tussen+twee+naties/De+Engels-Nederlandse+oorlogen).

De Derde Engels-Nederlandse Oorlog was de derde oorlog tussen Engeland en de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden. De oorlog duurde van 1672 tot 1674. De oorlog was een deel van de Hollandse Oorlog.
Hoewel Engeland, Nederland en Zweden een alliantie tegen Frankrijk hadden gesloten in 1668, tekende Karel II van Engeland op persoonlijke titel het geheime Verdrag van Dover met Frankrijk in 1670. Als gevolg van dit verdrag was Engeland, in ruil voor Franse subsidies aan Karel, gedwongen om Frankrijk te volgen toen het Nederland aanviel in 1672. Overigens was Karels hele politiek erop gericht geweest de verhouding tussen Frankrijk en Nederland te laten verzuren... In hetzelfde jaar werd Willem III van Oranje-Nassau stadhouder van Nederland. Johan de Witt werd gedwongen af te treden en daarna samen met zijn broer Cornelis de Witt vermoord. Ironisch genoeg voerden de Engelsen dus oorlog tegen hun toekomstige koning Willem III van Engeland (https://nl.wikipedia.org/wiki/Derde_Engels-Nederlandse_Oorlog).

[T]he fierce Battle of Sole Bay fought against the Dutch Republic in 1672 off the Southwold coast (http://biervat.blogspot.nl/2016/12/zeeslag-op-een-bierflesje.html).

De Engels-Franse vloot werd weerstaan door de Nederlandse admiraal Michiel de Ruyter die viermaal, in de Slag bij Solebay (1672), op 7 juni 1673 bij het Schooneveld, op 14 juni 1673 bij het Schooneveld en de Slag bij Kijkduin (1673) zijn tegenstanders zwaar genoeg beschadigde om een poging om Holland of Zeeland vanaf de zee met een landingsleger binnen te vallen te verijdelen. Het lukte de geallieerden evenmin om de Nederlandse havens effectief te blokkeren. Bij al deze zeeslagen was het onderling wantrouwen tussen de Engelsen en Fransen enorm en hun samenwerking erg slecht. ... Terwijl de Nederlanders een verbond sloten met Spanje, dat tot 1648 zelf oorlog voerde met Nederland (de Tachtigjarige Oorlog), trok Frankrijk zich uit de Republiek terug in 1673. De Ruyter zou in 1676 sneuvelen in de strijd tegen de Franse vloot in de Slag bij Agosta, als bondgenoot van de Spanjaarden. Engeland trok zich vervolgens uit geldgebrek helemaal uit de oorlog terug. Het Engelse parlement had lucht gekregen van het geheime verdrag met de Fransen, waaruit bleek dat de katholieke Karel Frankrijk niet alleen als bondgenoot zag tegen de Republiek, maar ook tegen het protestantisme in zijn eigen land. Ook was men zeer ontevreden over de vaak wat afwachtende houding van de toen nog zwakke Franse vloot; men kreeg de indruk dat de Franse opzet erop gericht was de Engelse vloot door de Nederlandse te laten vernietigen om vervolgens een Hollandse vazalstaat te helpen tot dominante handelsnatie uit te groeien. Daarbij had Engeland door de activiteiten van Nederlandse kapers zo'n 650 koopvaarders verloren en was Nieuw Amsterdam door de Zeeuwen heroverd (https://nl.wikipedia.org/wiki/Derde_Engels-Nederlandse_Oorlog).

De Tachtigjarige Oorlog, De Opstand of de Nederlandse Opstand was een strijd in de Nederlanden die in 1568 begon en eindigde in 1648, met een tussenliggende vrede (het Twaalfjarig Bestand) van 1609 tot 1621. De oorlog woedde in een van de rijkste Europese gebieden, de Habsburgse of Spaanse Nederlanden en richtte zich tegen een wereldmacht: het Spaanse Rijk onder koning Filips II, landsheer der Nederlanden (https://nl.wikipedia.org/wiki/Tachtigjarige_Oorlog).

Okee, dus 1648 was er oorlog tussen Nederland en Spanje en er was de eerste Engelse Burgeroorlog....

Guinness was er nog niet. Want: Guinness zou pas bestaan vanaf 1725 (at St. James's Gate, Dublin; https://en.wikipedia.org/wiki/Guinness).

Cromwell stierf op 3 september 1658 en werd opgevolgd door zijn zoon Richard Cromwell. Deze bleek niet in staat het land verenigd te houden en het parlement herstelde de monarchie, nu met Karel II als koning.
In 1661 werd Oliver Cromwells lijk opgegraven (uit Westminster Abbey) en postuum geëxecuteerd op 30 januari, de datum waarop hij Karel I had laten terechtstellen. Eerst werd het lichaam in Tyburn in ketens opgehangen. Nadien werd het hoofd op een staak gespietst en tot 1685 tentoongesteld bij Westminster Hall. De rest van het lichaam werd in een put geworpen (https://nl.wikipedia.org/wiki/Oliver_Cromwell).

Guinness was er nog niet. Want: Guinness zou pas bestaan vanaf 1725 (at St. James's Gate, Dublin; https://en.wikipedia.org/wiki/Guinness).

Vierde Engels-Nederlandse Oorlog (1780-1784)
Sinds de Glorious Revolution Willem III en Maria II Stuart op de Engelse troon had gebracht, verschoof de dominantie in de handel meer naar Groot-Brittannië. Londen werd een steeds belangrijker handelscentrum. Nederland steunde de opstandelingen tegen het Britse bewind in de Amerikaanse koloniën. Via het eiland Sint Eustatius leverden de Nederlanders wapens en munitie aan de Amerikanen. Amerika was een voorbeeld voor de Nederlandse patriotten die de macht van stadhouder Willem V wilden inperken en een meer democratische regeringsvorm wilden vestigen.
In 1780 arresteerden de Engelsen de zojuist benoemde Amerikaanse ambassadeur Henry Laurens, die op weg was naar Nederland. In zijn bagage vonden ze een geheim verdrag tussen de Amsterdamse koopman Jean de Neufville en de Amerikaanse diplomaat William Lee. Hoewel ze op persoonlijke titel hadden gehandeld, zonder steun van hun regeringen, nam Engeland dit hoog op. Engeland vreesde bovendien dat Nederland zich zou aansluiten bij het Verbond van Gewapende Neutraliteit. Dat was een verbond tussen Rusland, Zweden en Denemarken, die net als de Nederlanders last hadden van de Engelsen die geregeld neutrale schepen opbrachten. De landen in het verbond wilden hun neutraliteit handhaven, desnoods gewapenderhand. Hierdoor zou de handel met de Amerikanen nog meer beschermd worden. Engeland verklaarde de Republiek de oorlog. Daarmee was de Republiek geen neutraal land meer, en kon dus niet rekenen op steun van de bondgenoten, die geen zin hadden in een zeeoorlog met Engeland. Een bekende Nederlandse overwinning was de Slag bij de Doggersbank. De Nederlandse vloot zou daarna echter niet meer uitvaren, niet sterk genoeg voor een tweede treffen. In februari 1781 veroverden de Engelsen Sint Eustatius, waarbij heel veel schepen, koopwaar en wapens in beslag werden genomen. Ook veroverden de Engelsen alle Afrikaanse forten van de West-Indische Compagnie, behalve Elmina.
De oorlog werd beëindigd met de vrede van Parijs in 1784. Een jaar eerder was al een wapenstilstand gesloten. Engeland kreeg het recht op de vrije vaart in Oost-Indië. De Republiek moest Negapatnam in India afstaan. De Vierde Engelse Oorlog zou het begin van het eind blijken voor de Republiek der Verenigde Nederlanden (www.geheugenvannederland.nl/nl/geheugen/pages/collectie/Nederland+en+Engeland%3A+de+band+tussen+twee+naties/De+Engels-Nederlandse+oorlogen).

Dus tijdens de 4e Engels-Nederlandse oorlog kon er dus wel Guinness gedronken worden!!

Maar hoe kwam Guinness eigenlijk met het idee van een West Indies Porter? 

Guinness is an Irish dry stout produced by Diageo that originated in the brewery of Arthur Guinness (1725–1803) at St. James's Gate, Dublin. ... The company moved its headquarters to London at the beginning of the Anglo-Irish Trade War in 1932. In 1997, it merged with Grand Metropolitan to form the multinational alcoholic drinks producer Diageo (https://en.wikipedia.org/wiki/Guinness).
The Anglo-Irish Trade War (also called the Economic War) was a retaliatory trade war between the Irish Free State and the United Kingdom from 1932 to 1938.[1] The Irish Government refused to continue reimbursing Britain with land annuities from financial loans granted to Irish tenant farmers to enable them to purchase lands under the Irish Land Acts in the late nineteenth century, a provision which had been part of the 1921 Anglo-Irish Treaty. This resulted in the imposition of unilateral trade restrictions by both countries, causing severe damage to the Irish economy.
The "war" had two main aspects:
Disputes surrounding the changing constitutional status of the Irish Free State vis-a-vis Britain
Changes in Irish economic and fiscal policy following the Great Depression (https://en.wikipedia.org/wiki/Anglo-Irish_Trade_War).

Guinness had dus wel te maken met die oorlog, dus eens zien hoe dat zat.

De Ierse Vrijstaat (Iers: Saorstát Éireann; Engels: Irish Free State) was de naam die het zuiden van Ierland aannam na ondertekening van het vredesverdrag in december 1921 met Groot-Brittannië dat een einde maakte aan de Ierse onafhankelijkheidsstrijd.
De Vrijstaat zou als dominion onderdeel blijven van het Gemenebest (als Commonwealth realm) en met het Statuut van Westminster vrijwel volledig onafhankelijk worden. Nadat in 1937 een nieuwe grondwet werd aangenomen beschouwde Ierland zich zelf niet langer als deel van het Gemenebest. Met het uitroepen van de republiek in 1949 werd ook de laatste band met Londen verbroken. Sindsdien wordt het land aangeduid als Ierland (https://nl.wikipedia.org/wiki/Ierse_Vrijstaat).

In 1845 mislukte de aardappeloogst grotendeels vanwege een tot dan toe onbekende ziekte, de door de pseudoschimmel "Phytophthora infestans" veroorzaakte Aardappelziekte. Het jaar daarop mislukte de oogst volledig. Omdat de plattelandsbevolking nauwelijks alternatieven had, leidde dit tot een zeer ernstige hongersnood. In 1847 viel de oogst mee, met als gevolg dat voor het volgende jaar weer meer aardappelen gepoot werden. Toen in 1848 de oogst wederom compleet verloren ging was het drama compleet. De precieze omvang van deze ramp, in Ierland aangeduid als the Great Famine is moeilijk vast te stellen. 
e hongersnood was een extra impuls voor het streven naar een gelijkere verdeling van het land. Voor veel Ieren was het 'landvraagstuk' van veel meer belang dan zelfbestuur of onafhankelijkheid.
In 1850 leidde dat tot de oprichting van een vereniging van pachters, Tenant Right League. Daarmee begon een periode die in het Engels wordt aangeduid als de 'land war'.
Na het unie-verdrag van 1800 ontstond in de 19e eeuw een streven naar zelfbestuur (home-rule). Grote leider van deze groep was Charles Stewart Parnell. Tot twee keer toe werd een wet voor zelfbestuur aangenomen door het Lagerhuis in Londen, maar beide keren sneuvelde het voorstel in het Hogerhuis. De dood van Parnell in 1891 beroofde de Ierse Partij van een krachtig leider, het perspectief op een eigen parlement in Dublin leek daarmee te verdwijnen.
Een groep schrijvers rond W.B. Yeats en Lady Gregory zochten en vonden hun inspiratie in de oude Keltische mystiek. De Gaelic League werd gesticht mede met als doel de eigen taal, het Iers, te ondersteunen. Door het hele land werden nationale scholen opgericht waar Iers een verplicht vak werd. Op sportgebied werd de GAA, de Gaelic Athletic Association, opgericht die zich richtte op 'klassieke' Ierse sporten als Iers voetbal en Hurling.
Dit nieuwe nationalisme, vooral gegrond op de Ierse eigenheid, zorgde ook voor een opleving van de radicale stroming in de politiek. Sinn Féin werd in deze periode opgericht, maar was oorspronkelijk nog geen republikeinse partij.
In 1912 werd een wet aangenomen waarbij heel Ierland zelfbestuur kreeg. ...Het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog betekende uitstel van het zelfbestuur. De leider van de Ierse Partij riep alle Ieren op om het Koninkrijk te helpen in deze zware tijden door dienst te nemen in het leger. Hoewel veel Ieren aan die oproep gehoor gaven, was er ook forse tegenstand, ook binnen de Ierse Partij. Die tegenstand was vooral te vinden in de paramilitaire afdeling van die partij, de Irish Volunteers.
Ook de republikeinen hadden een eigen militaire organisatie, de Irish Republican Brotherhood (IRB). De leiders van die beweging sloten zich ook aan bij de volunteers en volgden daarbinnen hun eigen agenda.
Een aparte rol speelde de kleine socialistische partij. Onder leiding van James Connolly probeerde deze partij de strijd voor onafhankelijkheid te combineren met de strijd voor een socialistische revolutie. Ook deze partij had een eigen militaire afdeling, de Irish Citizen's Army.
Door het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog was de Home Rule opgeschort. De Paasopstand had het verzet tegen die wet in Ulster alleen maar versterkt. Voor de protestanten betekende Home Rule: Rome Rule.
Bij de algemene verkiezingen in november 1918 werd Sinn Féin verreweg de grootste partij... In de loop van 1919 werd het steeds onrustiger. Steeds vaker werden er aanslagen gepleegd op Britse doelen. De Britten reageerden daarop met vergeldingsacties door het inzetten van troepen: de beruchte Black and Tans. De gewelddadigheden bereikten een hoogtepunt met The Burning of Cork. In Ierland zelf staat deze periode bekend als de Ierse onafhankelijkheidsoorlog.
In 1920 nam het Britse parlement een wet aan waarbij het eiland in tweeën werd gedeeld. Het noorden kreeg eigen zelfbestuur en behield een nauwe band met Londen. In het zuiden kwam een eigen parlement in Dublin, waarbij Zuid-Ierland een status zou krijgen vergelijkbaar met Canada en Australië.
De verdeling van het eiland was voor veel Ieren onacceptabel. Ook de status, waarbij een band bleef bestaan met Londen, ging velen niet ver genoeg. De wet werd daarom niet geaccepteerd en de onrust groeide uit tot een ware onafhankelijkheidsstrijd.
In het voorjaar van 1921 brak bij een aantal kopstukken van Sinn Féin het besef door dat langs militaire weg hun doel niet bereikt zou worden. Dat leidde tot vredesbesprekingen die in december resulteerden in een verdrag.
Door dat verdrag werd het zuiden de facto onafhankelijk, de Vrijstaat, hoewel er in naam een band met Londen bleef bestaan. Het verdrag betekende echter ook dat het zuiden akkoord ging met de creatie van een protestantse staat Noord-Ierland waarin de grote katholieke minderheid bewust tot tweederangs burgers werd gemaakt.
De nieuwe staat kende een moeilijke start. Binnen Sinn Féin bestond grote tegenstand tegen het verdrag met Engeland. De tegenstanders van het verdrag onder leiding van Éamon de Valéra stichtten een eigen partij: Fianna Fáil. Het geschil liep zo hoog op dat feitelijk gesproken kan worden van een burgeroorlog. Eén van de voornaamste slachtoffers was Michael Collins een veteraan van de Paasopstand (https://nl.wikipedia.org/wiki/Geschiedenis_van_Ierland#1922-1949:_Ierse_Vrijstaat).

De Black and Tans is ook al iets van Guinness: 

Black and Tan is a beer cocktail made by layering a pale beer (usually pale ale) and a dark beer (usually stout).
The term likely originated in England, where consumers have blended different beers since at least the seventeenth century.[1] The name "black and tan" had earlier been used to describe the coats of dogs, such as the black and tan coon-hound. The earliest recorded usage of the term in the drink context is from 1881, according to the Oxford English Dictionary, in the American magazine Puck.[2] The first recorded British use of the term to describe a drink is from 1889.[2]
The "layering" of Guinness on top of the pale ale or lager is possible because of the lower relative density of the Guinness.[1] The opposite scenario (where the layer on top is heavier than bottom) would produce the fluid mechanics phenomenon known as the Rayleigh-Taylor Instability.
To prepare a Black and Tan, fill a glass halfway with pale ale then add the stout. The top layer is best poured slowly over an upside-down tablespoon placed over the glass to avoid splashing and mixing the layers. A specially designed black-and-tan spoon is bent in the middle so that it can balance on the edge of the pint-glass for easier pouring.[1] Alternatively, the stout can be poured first so that the drinks are thoroughly mixed together.
The name "Black and Tan" is not used in Ireland as a term for a mixture of two beers. The drink is instead referred to as a half and half.[1] Indeed, the drink has image problems in Ireland and elsewhere due to the association with the excessively violent Royal Irish Constabulary Reserve Force, nicknamed the "Black and Tans", which was sent into Ireland in the early 1920s.[1] As a result, in Ireland the name is seen as contentious and disrespectful.[3]
In March 2006, Ben and Jerry's released an ice cream flavour in the United States for Saint Patrick's Day inspired by the drink; the name offended Irish nationalists because of the paramilitary association. Ben and Jerry's has since apologised. A spokesman told Reuters, "Any reference on our part to the British Army [sic] unit was absolutely unintentional and no ill will was ever intended."[4] In March 2012, the drink's name once more came into the news when Nike, as part of an Irish themed set of designs, released a pair of shoes advertised as the "Black and Tan" and generating offence similar to the earlier Ben and Jerry's ice cream.[5] (https://en.wikipedia.org/wiki/Black_and_Tan)

The Rayleigh–Taylor instability, or RT instability (after Lord Rayleigh and G. I. Taylor), is an instability of an interface between two fluids of different densities which occurs when the lighter fluid is pushing the heavier fluid.[1][2] Examples include the behavior of water suspended above oil in the gravity of Earth,[2] mushroom clouds like those from volcanic eruptions and atmospheric nuclear explosions (https://en.wikipedia.org/wiki/Rayleigh%E2%80%93Taylor_instability).

Water suspended atop oil is an everyday example of Rayleigh–Taylor instability, and it may be modeled by two completely plane-parallel layers of immiscible fluid, the more dense on top of the less dense one and both subject to the Earth's gravity. The equilibrium here is unstable to any perturbations or disturbances of the interface: if a parcel of heavier fluid is displaced downward with an equal volume of lighter fluid displaced upwards, the potential energy of the configuration is lower than the initial state. Thus the disturbance will grow and lead to a further release of potential energy, as the more dense material moves down under the (effective) gravitational field, and the less dense material is further displaced upwards. This was the set-up as studied by Lord Rayleigh.[2] The important insight by G. I. Taylor was his realisation that this situation is equivalent to the situation when the fluids are accelerated, with the less dense fluid accelerating into the more dense fluid.[2] This occurs deep underwater on the surface of an expanding bubble and in a nuclear explosion.[8]

Gelukkig is het in de Engels-Nederlandse oorlogen nooit gekomen tot een nucleaire confrontatie. Maar was er Guinness bij?

In "A Bottle of Guinness Please": The Colourful History of Guinness van David Hughes kom ik het niet tegen. West Indies komt er 20 keer in voor. Erg interessant leesvoer:

West Indies Porter werd voor het eerst genoemd in 1801. Het was herkenbaar met een W. en was duurder dan gewone porter, mede door meer en betere hop. Tijdens en na de Napoleonse oorlogen  was de hopdosis lager.  West Indies werd enkel gebrouwen van oktober tot april, om verzuring te voorkomen.
In 1802 was er een West Indies Porter die vanuit Bristol werd geëxporteerd. De West Indies trade was ook in 1802 begonnen. Guinness extra Stout was mature bier met  barm (verse wort en gist). vanaf 1825 werd Guinness Porter naar West Indies, (en het Oosten en Amerika) vervoerd (in flessen).
De West Indies zou vervolgens bekend worden als Extra Stout en vervolgens Foreign Extra Stout, oftewel Guinness FES.
Zo rond 1849 brouwde Guinness porter, Extra Stout (ook wel Double Stout genoemd) en West Indies Porter. Ook brouwde ze een Tripel Stout, met iets meer hop en alcohol dan de Double Stout. Deze Tripel werd later Foreign Export Double Stout, Foreign Export en Foreign Export Stout (FES). Zo gaan de namen wel door elkaar lopen. Later kwam er nog een variant op de FES voor Ierland, de Nourishing Export Stout (NES).  Guinness werd vanaf 1802 toende export naar de West Indies begin meegenomen. Voor het bewaren werd er extra hop en mout toegepast bij het brouwen en zo ontstond de West Indies Porter. Of was het gewoon een FES die naar de West Indies ging?  Die vraag wordt in "A Bottle of Guinness Please": The Colourful History of Guinness van David Hughes niet beantwoord, maar het is wel erg interessant.

The Napoleonic Wars (1803-1815) were a series of major conflicts, pitting the French Empire and its allies, led by Napoleon I, against a fluctuating array of European powers formed into various coalitions, primarily led and financed by the United Kingdom. War broke out as a continuation of the French Revolution, which had plunged the European continent into war since 1792 (https://en.wikipedia.org/wiki/Napoleonic_Wars).

Na de Napolonse oorlogen tot aan de Great Famine steeg de omzet van Guinness (guinness's brewery in the irish economy, Guinness's Brewery in the Irish Economy 1759-1876 door Patrick Lynch,John Vaizey).

In Guinness: The 250 Year Quest for the Perfect Pint van Bill Yenne (John Wiley & Sons, 5 okt. 2007 - 250 pagina's) staat dan weer dat Extra Superior Porter uiteindelijk verwerd tot Guinness Double Stout, die later de Foreign Extra Stout (FES) werd.
Tijdens de Napoleonse oorlogen, net zoals tijdens de wereldoorlogen, werd de mout (en dus alcoholgehalte) verlaagd.

Dus West Indies Porter is dus iets van ruim 100 jaar geleden, maar het is dus niet zo maar een historische rariteit... Er was wel degelijk West Indies Porter vroeger, misschien zelfs wel tijdens de Napoleonse oorlogen, maar dus niet tijdens een van de vier Engels-Nederlandse Oorlogen.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten