Translate

Zoeken in deze blog

maandag 5 juni 2017

Bonifatius 754


Brouwerij De Kroon Op Leeuwarden, Leeuwarden Bonifatius Bier Maerte Saison gebrouwen bij Bierbrouwerij Troost sticker. Inhoud: 33 cl (http://www.bieretiketten.nl/g/56/56242.jpg)

Bonifatius, ook wel Bonifacius, geboortenaam: Wynfreth (Winfried) (nabij Exeter in Zuidwest-Engeland, 672 of 675 - gedood bij Dokkum, 5 juni 754 of misschien in 755[1]) was een van de belangrijkste Angelsaksische missionarissen en kerkhervormers in het Frankische rijk, bisschop, martelaar en heilig verklaarde.
Bonifatius wordt ook de Apostel van de Duitsers genoemd. Meer nog dan missionaris was hij de inrichter van de kerkelijke structuren in het gebied van het huidige Duitsland en, wat evenzeer cruciaal is geweest, de binding daarvan aan de Heilige Stoel. Bonifatius werd zo de architect van het christelijke West-Europa, omdat hij een groot aandeel had in de grondvesting van de kerk van Rome en in de groei naar culturele eenheid van West-Europa (https://nl.wikipedia.org/wiki/Bonifatius_(heilige)).
(http://www.schooltv.nl/video/bonifatius-wie-is-dat/)

Er zijn verscheidene werken geschreven over het leven van Bonifatius, van kort na zijn dood tot ongeveer 1100. Volgens de door Willibald geschreven vita, ongeveer dertien jaar na zijn dood, werd Bonifatius als Winfrid of Wynfrith geboren in een adellijke familie. Als familieleden van Bonifatius wordt ook wel vermeld Richard van Wessex, Willibald van Eichstätt, Winnibald en Walburga.[2]
Waarschijnlijk was Crediton in Devonshire zijn geboorteplaats. Willibald beschrijft hoe de jonge Winfried zich tegen de wil van zijn vader al wilde wijden aan het kloosterleven. Toen zijn vader dodelijk ziek werd en bijna overleed, zag hij dat als een teken, gaf hij toe en vertrouwde de zevenjarige Winfried als puer oblatus toe aan het klooster. Hij kreeg zijn opvoeding en theologische scholing in de abdijen van Exeter en Nhutscelle (Nutshalling, nu Nursling bij Southampton), waarna hij toetrad tot de Benedictijner orde. Op zijn dertigste, rond 705, werd hij tot priester gewijd. Hij werd hoofd van de kloosterschool en maakte naam als leraar, exegeet, historicus, grammaticus en literator. De eerste Latijnse grammatica in het Engels was van zijn hand. Hij was bestemd om abt te worden, maar de missie was zijn grote doel.
In 716 verliet Winfried Engeland om een eerste missie-expeditie naar Friesland te ondernemen. Hij wilde de bewoners bekeren tot het christendom door in hun eigen taal tot hen te prediken. Zijn eigen Oudengels of Angelsaksisch was immers verwant aan het Oudfries. Deze eerste zendingsreis werd een mislukking door de politieke omstandigheden: onder leiding van koning Radboud konden de Friezen in deze korte periode profiteren van de Frankische Burgeroorlog, die uitbrak na de dood van Pepijn van Herstal. Zij brachten de Franken, die onder leiding stonden van de latere hofmeier Karel Martel, in samenwerking met de Neustriërs een nederlaag toe in de Slag bij Keulen. Juist de Frankische steun was cruciaal bij de kerstening. Winfried werd door deze gebeurtenissen gedwongen huiswaarts te keren.
In 718 reisde hij eerst met aanbevelingsbrieven van de bisschop van Winchester naar Rome, om goedkeuring te verzoeken aan paus Gregorius II. De paus verleende hem het recht om onder de Germanen ten oosten van de Rijn te bekeren tot het christendom en gaf Winfried een nieuwe naam: Bonifatius (hij die het goede doet), de naam van de heilige van de vorige dag.
Na de dood van Radboud in 719 kon Karel Martel de Friezen terugdringen en kon bisschop Willibrord zijn missioneringswerk voortzetten. Bonifatius assisteerde hem hierbij vanuit zijn bases Antwerpen en Utrecht. Willibrord wilde hem aanwijzen als opvolger van de bisschopszetel, maar Bonifatius gaf de voorkeur aan het missioneringswerk en weigerde. Hierop ging hij in 722 voor de tweede maal naar Rome, waar de paus hem benoemde tot tot bisschop-missionaris van de Germaanse gebieden om deze zo onder het gezag te brengen van de kerk van Rome. Bonifatius werkte vijf jaar in Hessen, Thüringen en Friesland.
Om de overmacht van christenen en het Frankische gezag te bewijzen, hakte Bonifatius volgens Willibalds hagiografie in 723 de heilige Donareik om. Deze stond in Geismar nabij Fritzlar op de grens van het gedeeltelijk christelijke Hessen en het grotendeels niet-christelijke Nedersaksen, niet ver van de Frankische vesting Büraburg. Toen er geen wraak volgde van de vereerde goden, namen veel van de Germanen het christelijk geloof aan. Het omhakken van de eik wordt door velen beschouwd als het begin van de kerstening onder de Noord- en Middelduitse Germanen.
Van het hout bouwde Bonifatius een kapel, gewijd aan St. Petrus; de kapel werd de kiemcel van het latere klooster in Fritzlar. Later vestigde hij daar het eerste bisdom in de Germaanse landen ten noorden van de oude Romeinse rijksgrens (limes). Tot 732 werkte Bonifatius in Hessen en Thüringen.
In 732 benoemde paus Gregorius III Bonifatius tot aartsbisschop - zij het in eerste instantie zonder zetel - en tot pauselijk vicaris voor het oostelijke deel van het rijk der Franken. Bovendien verleende hij hem toestemming om bisdommen te gaan stichten. Tot aan 736 werkte hij in Beieren, waar hij de Kerk reorganiseerde, onder andere door het stichten van bisdommen in Regensburg, Passau, Salzburg en Freising. Van 736 tot aan 753 bleef Bonifatius voornamelijk als kerkhervormer aan het werk in het Frankische rijk aan beide zijden van de Rijn.
Bonifatius had nooit de hoop opgegeven om ook de Friezen te bekeren tot het christendom. Als hoogbejaarde kerkelijk leider trok hij in 754 met een gevolg, militairen en bewakers,[5] opnieuw naar Friesland. Hij doopte daar grote aantallen Friezen. Ook belegde hij een grote bijeenkomst om nieuw bekeerden tot het christendom gemeenschappelijk het sacrament van het heilig vormsel toe te dienen, die te Dokkum zou plaatsvinden. Hij sloeg daar zijn kamp op. Maar in plaats van daar zijn bekeerlingen te treffen, werd hij er de volgende ochtend overvallen door een groep gewapende Friezen die onder Bonifatius' missiecompagnie een slachtpartij aanrichtten. Op 5 juni 754 werd hij gedood, samen met zijn 52 metgezellen, onder wie zijn hulpbisschop Eoban. De oude geschiedschrijving spreekt over moord, maar een aantal hedendaagse historici[6] plaatst daar kanttekeningen bij of verwerpt kwalificatie als moord geheel. Moord geldt in de Germaanse rechtsopvatting als een zeer oneervolle daad. Bonifatius met zijn gevolg is niet onverhoeds overvallen, maar kwam bij een openlijk gewapend treffen om het leven. Geen moord dus maar doodslag. De aanval vond niet plaats in het donker van de nacht maar bij het aanbreken van de dag waarop gewoonlijk veldslagen werden uitgevochten.[7] (https://nl.wikipedia.org/wiki/Bonifatius_(heilige))

Bonifatius wordt als grote heilige vereerd onder de rooms-katholieken en oosters-orthodoxen. Hij is los daarvan ook een bekende figuur in de Nederlandse geschiedenis, hoewel zijn rol daarin op zichzelf klein is geweest. Hij zou die bekendheid in het huidige Nederland waarschijnlijk niet gekregen en gehouden hebben als hij niet door de voor-christelijke Friezen gedood was op Nederlandse bodem wegens zijn heiligschennis aan hun eikheiligdommen. Bonifatius was een hervormer en organisator van formaat.
Zijn betekenis voor de christelijke kerk in Europa is enorm. Als missionaris wordt zijn betekenis desondanks geringer ingeschat dan die van zijn voorganger Willibrord en zijn opvolgers Willehad en Liudger.[14] (https://nl.wikipedia.org/wiki/Bonifatius_(heilige))

Veel Germanen lieten zich dopen. Maar anderen bleven zich verzetten. Ze geloofden niet in die God waarover Bonifatius sprak. In 754 trok de toen al oude Bonifatius naar de Friese stad Dokkum om daar nog eens te proberen de Friezen te dopen. Maar een groep rovers overviel 's ochtends de slaapplaats van Bonifatius. Hij probeerde zich te beschermen door een groot dik boek boven zijn hoofd te houden. Maar hij werd gedood.
Na zijn dood werd Bonifatius door de kerk vereerd als heilige, sint Bonifatius. Hij had zoveel goed werk gedaan voor de kerk (http://www.schooltv.nl/video/bonifatius-bij-dokkum-vermoord-waarom-eigenlijk/).

Gelukkig weten we veel over de moord op Bonifatius, omdat er een aantal ooggetuigen waren. Een aantal jaren na de moord legde de Angelsaksische geestelijke Willibald de details over de moord vast, waarbij hij zich baseerde de verhalen van deze ooggetuigen.
Volgens Willibald trok Bonifatius op hoge leeftijd vanuit Duitsland het huidige Friesland in, waarbij hij een spoor van vernieling achterliet. Hij verwoestte heidense plaatsen en afgodsbeelden en in plaats daarvan bouwde hij kerken en doopte hij mensen. Op de avond van 4 juni sloeg Bonifatius, samen met zijn reisgezelschap een tentenkamp op bij de Boorne, een klein riviertje in Friesland, vlakbij Dokkum. ‘s Avonds kreeg Bonifatius nog bezoek van een aantal mensen uit de buurt, die hij de hand oplegde. Ze zouden de volgende dag terugkeren.
Maar de volgende dag werd het kamp overvallen. Volgens Willibald ‘drong een enorm aantal vijanden met blinkende wapens, met schilden en speren, het kamp binnen.’ Bonifatius’ reisgezelschap rende uit de tenten en stortte zich op de overvallers. Maar Bonifatius verbood al snel elke vorm van weerstand met de woorden “Laat af, mannen, van de strijd, houdt op met oorlog voeren, want het ware getuigenis van de Heilige Schrift leert ons, niet kwaad met kwaad te vergelden, maar kwaad met goed.” Heel lang kon hij dat niet roepen, want al gauw stormden de heidenen op Bonifatius af en lieten zij hun bijlen en zwaarden op hem neerkomen.
Na de moord ontstond er onenigheid over de verdeling van een eventuele buit. De heidenen verdeelden zich al snel in twee partijen die het niet met elkaar eens waren en elkaar uiteindelijk zelfs te lijf gingen. De overlevenden van deze slachtpartij dachten een grote geld- en zilverschat te vinden, maar Bonifatius had vooral boeken bij zich, die door de rovers uit woede weggegooid werden over de velden en in het moeras. De meeste boeken werden later teruggevonden en teruggestuurd naar het door Bonifatius gestichte klooster Fulda, in  Duitsland.
Volgens Willibald kwam er na de moord op Bonifatius een christelijke wraakactie op gang. Toen het nieuws van de gruwelijke moordpartij zich verspreidde, trokken ‘snelle krijgers van de komende wraak’ naar de plaats van de moord, en brachten de heidenen een verwoestende nederlaag toe. Vluchtelingen werden nagezeten, hun have en goed genomen. Deze christenen keerden met de buitgemaakte vrouwen, kinderen, knechten en dienstmaagden van de afgodendienaars naar huis terug. De overgebleven heidenen zouden zich volgens Willibald snel tot het christendom hebben bekeerd.
Of de moord en de nasleep precies zo zijn gegaan als Willibald beschrijft, is maar de vraag. Geen van Bonifatius’ reisgenoten overleefde de moordpartij en het valt bijvoorbeeld te betwijfelen of de ooggetuigen, waarop Willibald zijn verhaal heeft gebaseerd, daadwerkelijk de laatste woorden van Bonifatius hebben opgevangen. Het ligt meer voor de hand dat Willibald, zelf christen, een mooie, moedige christelijke zin aan Bonifatius heeft toegedicht, die in feite door Willibald zelf verzonnen is (http://www.historien.nl/bonifatius-de-dokkumse-moordzaak/).

De verering van Bonifatius ontstond reeds kort na zijn dood. Willibald beschreef een wonder dat aan Bonifatius wordt toegeschreven: het paard van de administrator Abba struikelde enige tijd na Bonifatius' dood op een terp, waarna daar volgens deze biograaf een zoete bron ontsprong. Het centrum van de verering ligt echter niet in Friesland. Na een kort verblijf in de Sint-Salvatorkerk in Utrecht en later in Mainz werd het stoffelijk overschot van Bonifatius overgebracht naar de abdij van Fulda, waar het in een schrijn onder het hoofdaltaar van de kathedraal werd begraven. Mede dankzij de Bonifatiusverering werd Fulda een belangrijk centrum van boekproductie (onder leiding van abten als Hrabanus Maurus) en sinds het midden van de negentiende eeuw één van de belangrijkste plaatsen van het Duitse katholicisme: elk jaar komen de Duitse bisschoppen samen bij Bonifatius’ graf (https://nl.wikipedia.org/wiki/Bonifatius_(heilige)).


Maerte Saison  is speciaalbier van hoge gisting met veel historie. Dokkum heeft een rijke brouwerijgeschiedenis: het ‘Maertebier’ dat ooit in Dokkum werd gebrouwen was eeuwen geleden één van de populairste bieren van Fryslân. Het heldere water uit de Bonifatiusbron zorgde mede voor de goede smaakbeleving. ‘Konst der wel un lieffol fan drinke!’
Gebrouwen van water, tarwemout, eik gerookt gerstemout, hop, gist, steranijs en veel geduld.
Bonifatiusbier® wordt deels gebrouwen met water uit de Bonifatiusbron (http://bonifatius754.nl/bier/).

Ooit was het ‘Maerte-bier’ van Dokkum, gemaakt met water uit de Bonifatiusbron,  een van de lekkerste bieren van Fryslân.  Je kon er wel een ‘’liif fol fan drinke’’.
Vanaf november [2015] is er opnieuw speciaal bier uit Dokkum met water uit de bron. Initiatiefnemers zijn de jongste bierbrouwers van de stad: Berend Wouda, Frank en Remco van Dijk.  Zij brengen het lichte bier ‘Maerte Saison’ onder het merk Bonifatius op de markt.
‘Maerte Saison’ is de oorspronkelijke naam van een van de vroegere Dokkumer bieren: een zomerbier van hoge gisting met een laag alcoholpercentage.  Dergelijke lichte seizoensbieren  werden veel gedronken door arbeiders bij het werk. De nieuwe Maerte Saison is speciaal ontwikkeld voor Dokkum met een knipoog naar Bonifatius. Bijzonder voor de smaak van het bier is gebruik van eik-gerookte mout tijdens het brouwproces. Een aspect van de receptuur dat mede geïnspireerd is door het bekende Bonifatiusverhaal van de heilige Donar-eik, omgehakt door de bisschop bij zijn missiewerk onder hardleerse Friezen en Germanen. Bij Maerte Saison wordt onder notarieel toezicht authentiek water uit de Bonifatiusbron via een filterinstallatie toegevoegd. De bierpioniers in Dokkum hopen verder dat ze  een deel van de hop,  nodig voor het brouwproces, te mogen telen op grond van de Bonifatiuskapel vlakbij de bron. Dat verzoek heeft het RK kerkbestuur nog in beraad (http://www.hvnf.nl/2015/11/nieuw-uit-dokkum-bonifatius-bier/).


Dokkumer bierhistorie
Bier brouwen begon als neventak van middeleeuwse kloosters. In Dokkum was dit de Norbertijner abdij die rond 1200 op de stadsterp is gesticht. Bier en fris bronwater waren lang de belangrijkste voorziening van schoon drinken voor de mensen tot aan de komst van de waterleiding in de 20e eeuw. Elke stad kende zijn eigen brouwers en biermerken. In de 19e eeuw verloren deze de concurrentie van alternatieve dranken, zoals koffie en thee, en vanaf eind 19e eeuw de komst van goedkopere pils van lage gisting uit Beieren en Tsjechië. Pils veroverde  de wereldmarkt onder de bieren. Tegenwoordig is er weer markt voor speciale bieren van hoge gisting, vaak ambachtelijk en locaal geproduceerd.
Op verzoek van de huidige brouwers van het nieuwe ‘maerte bier’ doen de Dokkumer leden van de Historische Vereniging Noordoost-Friesland Warner B. Banga en Piet de Haan onderzoek naar de historie van het bierbrouwen en het Bierbrouwersgilde in hun stad. In de nabije toekomst zullen zij daarover artikelen publiceren en een boekwerk samenstellen (http://www.hvnf.nl/2015/11/nieuw-uit-dokkum-bonifatius-bier/).

Warner B. Banga & Piet de Haan hebben op de site van bonifatiusbier een aantal artikelen geschreven:

Water is het eerste belangrijke bestanddeel voor het brouwen van een smaakvol bier. Vandaag wordt in Dokkum de ‘Maerte Saison’ van het nieuwe Bonifatiusbier geïntroduceerd. ‘Het heldere water uit de Bonifatiusbron zorgde mede voor de goede smaakbeleving’, zo meldt het etiket over het speciaalbier dat deels gebrouwen wordt met water uit de bron. Oorspronkelijk beschikten de Dokkumer bierbrouwers zelfs over twee bronnen, één in de stad en eentje net buiten de stad. Over wat nu de ware bron was, is altijd veel verwarring geweest. Volgens een oude levensbeschrijving van de martelaar werd de bron geslagen door de heilige zelf toen hij met zijn bisschopsstaf op de grond sloeg en het water opspoot. In een tweede versie zakte het paard van een opzichter bij het opwerpen van de gedachtenisterp weg in de drassige grond en ontstond een bron met helder water.
Bij opgravingen of beter afgravingen op de Markt, voor de aanleg van een onmisbaar geacht parkeerterrein in 1985, werd een uit kloostermoppen opgemetselde put ontdekt, die ooit samen met de oude fundamenten van de abdijkerk onder de grond en in de vergetelheid was geraakt. Was dit dan de Bonifatiusbron? Waarschijnlijk ging het hier om een soort afwateringsput, maar interessant was wel dat de put precies
er is het eerste belangrijke bestanddeel voor het brouwen van een smaakvol bier. Vandaag wordt in Dokkum de ‘Maerte Saison’ van het nieuwe Bonifatiusbier geïntroduceerd. ‘Het heldere water uit de Bonifatiusbron zorgde mede voor de goede smaakbeleving’, zo meldt het etiket over het speciaalbier dat deels gebrouwen wordt met water uit de bron. Oorspronkelijk beschikten de Dokkumer bierbrouwers zelfs over twee bronnen, één in de stad en eentje net buiten de stad. Over wat nu de ware bron was, is altijd veel verwarring geweest. Volgens een oude levensbeschrijving van de martelaar werd de bron geslagen door de heilige zelf toen hij met zijn bisschopsstaf op de grond sloeg en het water opspoot. In een tweede versie zakte het paard van een opzichter bij het opwerpen van de gedachtenisterp weg in de drassige grond en ontstond een bron met helder water.
Bij opgravingen of beter afgravingen op de Markt, voor de aanleg van een onmisbaar geacht parkeerterrein in 1985, werd een uit kloostermoppen opgemetselde put ontdekt, die ooit samen met de oude fundamenten van de abdijkerk onder de grond en in de vergetelheid was geraakt. Was dit dan de Bonifatiusbron? Waarschijnlijk ging het hier om een soort afwateringsput, maar interessant was wel dat de put preciesin de as van het schip van de Bonifatiusabdijkerk lag, die er omheen gebouwd leek. Eeuwenlang kwamen hier duizenden pelgrims op 5 juni, Bonifatiusdag, naar Dokkum om zijn marteldood de herdenken.
Even verderop in de Boterstraat bevindt zich een tweede bron of waterput. Op een gevelsteentje wordt aangegeven dat dit de Fetze Fontein is uit 1712. In dat jaar werd namelijk een ringmuur om de fontein aangelegd. Ook deze bron was destijds in gebruik bij het Dokkumer brouwersgilde. In 1837 werd deze watervoorziening door het stadsbestuur aangekocht.
Net buiten de stadswallen ligt echter de bron die al sinds mensenheugenis de Bonifatius-bron genoemd wordt. Aanvankelijk een simpele poel in de weilanden, maar later ommuurd en via een sloot kon het water zelfs afgetapt worden bij de Bonifatiuspomp aan de Zuidergracht.
Dit is de ware bron waaruit de Dokkumer bierbrouwers al vóór de 17e eeuw het water voor hun vermaarde biertje haalden.
Toen het katholieke geloof na de Reformatie passé was, noemden de protestantse brouwers hun bron de ‘Fonteinsbron’, ook al werd het gildebestuur ieder jaar nog steeds op Bonifatiusdag gekozen. Proost! (http://bonifatius754.nl/bonifatius/de-ware-bonifatiusfontein/#more-315)

Omdat bier een echte volksdrank en dorstlesser was, was de productie van het Dokkumer bier na de sloop van het brouwhuis bij de Bonifatiusabdij overgenomen door particuliere brouwers.
In de Middeleeuwen waren de gilden ontstaan en ook deze beroepsgroep zocht steun en versterking bij elkaar.
Het eerste schriftelijke bewijs van die samenwerking is een prachtige gildebrief, opgesteld door de Vroedschap van Dokkum op 6 april 1648. Uit de inhoud van dat gilde-regelement kunnen we opmaken dat de vakbroeders in de Bonifatiusstad al langer samenwerkten, maar dat hun gilde in 1648 gereorganiseerd werd. Zo was het nodig om afspraken te maken over de prijzen van het bier en de maten die bij het uitschenken gebruikt moesten worden.
Dokkum kende halverwege de 17e eeuw drie soorten bier: het zware Achtguldenbier, het Vijfguldenbier en het lichte Drieguldenbier, ook wel het ‘dunne bier’ genoemd.
In de gildebrief worden de prijzen vermeld van respectievelijk 1 stuiver en 8 penningen voor een kan van het Achtguldenbier, 1 stuiver voor het bier van de tweede categorie en 8 penningen voor een maat dun bier.
De plaatselijke gemeenteraad, waarin vaak bierbrouwers zaten (!), had blijkbaar groot vertrouwen in zijn bierbrouwers, want zij mochten hun bier vrij en zonder af te meten verkopen, als de vaten maar van een eigen merk of letters waren voorzien…
In de gildebrief staan ook enkele artikelen over het onderhoud en schoonmaken van de Fontein, waar het Bierbrouwersgilde het heerlijke, heldere water uit betrok dat het Dokkumer bier zo vermaard maakte (http://bonifatius754.nl/bonifatius/het-dockumer-bierbrouwersgilde/#more-430).

In Dokkum wordt sinds kort weer Bonifatiusbier gebrouwen en op de markt gebracht. De geschiedenis van het Dokkumer bier lijkt de geschiedenis van de stad Dokkum, want het brouwen en drinken van bier is bijna zo oud als de mens zelf. In de Bonifatiusstad is de biertraditie bovendien annex aan de Bonifatiusbron of ‘Fontein’. Verboden in een ander zijn bier te pissen!
Hoewel er door de huidige initiatiefnemers met een vette knipoog naar de historie wordt gekeken, is het brouwen van het nieuwe Dokkumer ‘Maerte-bier’ veel meer gestoeld op historische traditie dan de doorsnee bierdrinker zal vermoeden en is het zeker historisch verantwoord deze biersoort aan de naam van de heilige Bonifatius te verbinden.
Aan de hand van oude documenten, bronnen en archieven willen we de historie van het Dokkumer bier en zijn brouwers uit de vergetelheid halen.
Wereldwijd gaat die geschiedenis vele duizenden jaren terug, toen er in het oude Egypte en Mesopotamië al gerstenat gedronken werd. In Dokkum hoeven we slechts terug te gaan naar de vroege Middeleeuwen toen hier een ‘forum’ lag bij een doorwaadbare plek in de slenk die diep het binnenland van Oostergo binnendrong. In 754 streek Bonifatius hier met zijn gezellen neer en we weten wat de gevolgen waren…
Voor drinkwater werd in die dagen gebruik gemaakt van wellen of dobben die soms in de terpstructuur aanwezig waren. Soms verzamelde men regenwater, maar omdat oppervlaktewater meestal heel onbetrouwbaar of brak van smaak was, dronk men naast water uit diepere bronnen en putten vaak (karne)melk en wei. Door de vrouwen werd uit gerst een licht ‘drinkelbier’ gebrouwen, net zo goed als er toen thuis het eigen brood gebakken werd. Dat het drinken van bier voor de Friezen een normale en dagelijkse aangelegenheid was, blijkt wel uit het feit dat in oude Friese wetten verschillende bepalingen rond het brouwen en drinken van bier opgenomen werden. In het oud-Friese Recht rond 1300 wordt zelfs een artikel vermeld waarin het pissen in andersmans bier strafbaar gesteld werd: ‘Hwasa otherem inane pinth pissie: tuia XV enza iefta tian ethar’. Dat is: Wie in een andermans bier pist, moet twee keer 15 ons betalen of tien onschuldseden zweren.
Pas na de dood van Bonifatius zou het bier in deze contreien professioneel aangepakt worden door de monniken van de net gestichte Bonifatiusabdij. Daarover een volgende keer meer. Proost! (http://bonifatius754.nl/bonifatius/verboden-in-andermans-bier-te-pissen/#more-305)

Hoewel bier eeuwenlang de belangrijkste volksdrank en dorstlesser was geweest, begon het gerstenat in de 17e eeuw langzamerhand terrein te verliezen en zagen ook Dokkumer brouwers hun omzet dalen.
Eén van de belangrijkste oorzaken daarvoor was de opkomst van de Verenigde Oost-Indische Compagnie, de eerste multinational, die de Verenigde Nederlanden wel zijn Gouden Eeuw zou bezorgen, maar met de aanvoer van exotische producten als koffie en thee uiteindelijk een goedkope vervanger van bier aanvoerde. Aanvankelijk waren het delicatessen uit verre oorden geweest, maar in de loop van de achttiende eeuw daalde de prijs van koffie en zakten theeprijzen. De tarieven werden door de overheid bovendien enkele malen flink verlaagd om het smokkelen van koffie en thee tegen te gaan. Anderzijds stegen de kosten van brandstof en graan, waardoor de bieren duurder werden en ‘in prijs zeer zijn toegenomen’.
Om het tij nog te keren, schreven de brouwers aan het veelvuldig gebruik van koffie en thee een verzwakking van de magen der consumenten toe, zodat zij niet meer in staat waren het gezondere en krachtiger bier te verdragen! Het verdwijnen van de bijna 20 bierbrouwerijen zal voor een klein stadje als Dokkum de nodige economische en sociale gevolgen gehad hebben. Banen verdwenen en moesten elders weer gevonden worden, bedrijfspanden kregen een nieuwe bestemming en van oudsher hadden leden van het bierbrouwersgilde een belangrijke rol gespeeld in de plaatselijke samenleving.
Toen het biergebruik daalde, moesten de brouwers op zoek naar alternatieven om hun boterham te verdienen. Omdat het drankgebruik in Friesland in de loop van de achttiende eeuw schrikbarend toenam, dachten vele brouwers die stap gemakkelijk te kunnen maken door tevens over te gaan op het stoken van jenever en sterke drank. In 1749 vinden we in Dokkum liefst 24 bedrijven, die bier of sterke drank produceerden, maar het werkelijke aantal dat zich hiermee bezighield was waarschijnlijk nog hoger, omdat dit niet altijd nauwkeurig vastgelegd is. Niet geheel ten onrechte werd destijds over de stad gezegd: ‘Alles wat út Dokkum komt, dat suupt!
Na 1800 werd de concurrentie van Schiedam echter te sterk en moesten vele Dokkumer ondernemers wederom uitkijken naar een nieuwe broodwinning. Velen vonden dat in de handel en middenstand. Dokkum was meer dan ooit koopstad geworden. Proost! (http://www.in-dokkum.nl/content/alles-wat-ut-dokkum-komt-dat-suupt/)

Ook anderen hebben een bier vernoemd naar deze heilige:


Bonifacius Abdijbier werd geïntroduceerd na de Sacramentsprocessie in Kwadendamme op 14 juni 2009. Het begon allemaal met de Dubbel. Dit bier maakte snel furore in de regio (Zuid-Beveland) en werd zelfs in Kwidams dialect bezongen na de Carnavalsmisse. En velen hebben er ook al kennis mee gemaakt, genuttigd ofwel als geschenk aan anderen gepresenteerd.
De naam van het bier is afkomstig van de patroonheilige, Bonifacius, van de kerk in Kwadendamme.
Bonifacius is bekend geworden als missionaris en architect van de kerkelijke structuren en oprichter van meerdere kloosters, voornamelijk in Duitsland, waar hij uiteindelijk in de Abdij van Fulda zijn laatste rustplaats vond, na vermoord te zijn bij Dokkum, zo’n 1250 jaar geleden.
Het begon allemaal in 2008 met de hervatting van Sacramentsprocessie na 50 jaar. Men is toen op de gedachte gekomen om na afloop aan de deelnemers en belangstellenden een passend abdijbier aan te bieden. Dat laatste werd goed ontvangen. Het was tenslotte ook Bonifacius die aan de gangbare kloosterregels over gehoorzaamheid, zwijgzaamheid, nederigheid, en armoede een regel toevoegde over het nuttigen van een drankje: Kloosterregel van Bonifacius: Een glasie na de Gracie.
En behalve de beeltenis (uit de kerk van Kwadendamme) van Bonifacius is die befaamde regel nu ook op het etiket terecht gekomen.
In de afgelopen tijd zijn aan deze weldaad voor de zintuigen mooie bokalen en bierviltjes (inmiddels twee verschillende versies) toegevoegd, waarop Bonifacius met trots is afgebeeld in de hoofdkleuren rood en ivoor. En aan het eind van 2009 groeide het assortiment verder met grote geschenkflessen van 75cl met dit kostelijke bruine vocht.
Nieuw is dat er ook een Bonifacius Tripel Abdijbier op de markt gekomen is. Het is een lichtgekleurd bier met een iets hoger alcoholpercentage (http://www.renno.nl/zbier/peelander.html).

Ook in Duitsland worden bieren gebrouwen met zijn naam:


Overigens is het niet de enige heilige die op bieretiketten is te vinden:


Geen opmerkingen:

Een reactie posten